Wat willen we als lezer van een boek? Een reproduceerbaar idee? Een narratief dat blijft hangen? Een kern die zich in een handvol zinnen laat vastgrijpen? Nou, daar bedankt Milan Kundera voor. 'Het boek van de lach en de vergetelheid' is niet de roman als episch gegeven, niet het literaire equivalent van de symfonie of de sonate, maar de variatievorm. Het opus 111 van Beethoven, het steeds weer variëren van het amalgaam aan identiteiten dat in mensen zit, zodanig dat de veelkleurigheid van enkele eenvoudige bouwstenen zichtbaar wordt. Geen excursie die wegvoert van de bron, maar een ellips, een grillig discours rondom een onbenoembaar maar gevoelsmatig herkenbaar epicentrum.
Telkens weer presenteert de auteur een idee, om het vervolgens met een verhaal te illustreren. Dat exempel betekent telkens opnieuw de naadloze transitie van de ideeënwereld naar de mensenmaat. Kundera laat dat proces flitsend, scherpzinnig en prikkelend verlopen. De surreële elementen zijn overigens een noodzakelijk gegeven om het medium dat literatuur is, te vieren. De vrijheid om mensen hun natuur te kunnen laten overstijgen, is de vrijheid van de verbeelding. De fantasie, de creativiteit, de kunst, die een per definitie on-vrij regime onmogelijk aan banden kan leggen. De levitatie, het opgelicht worden door een inzicht, maar ook het gevaar van een collectief gelijk - in dit boek doet het de lezer en de personages letterlijk boven zichzelf uitstijgen.
Weliswaar is 'Het boek van de lach en de vergetelheid' geen onberispelijke collage. Het continu intuïtief-intellectueel geïnspireerd worden, is echter heerlijk. Net als de humor - zelden luidop zitten schaterlachen in de woonkamer, maar deze Kundera zit boordevol hilarische scènes.
Ah, dit is een soort ervaring die boeken al te weinig bieden - voorbij aan de regels, voorbij aan de welomlijnde logica. Om integendeel te zwelgen in gedachten, en vooral, bovenal, bovenalles: in menselijkheid.
4*