In elk gebaar was ze als het leven zelf, oefening en vervolmaking ineen – een schitterend raadsel.
(Is dat hoe Peter Terrin zijn eigen schrijverschap onder woorden brengt?)
Man wordt klein geboren, man zal klein zijn tot het eind van zijn dagen. Tenzij. Tenzij hij de grootsheid terugvindt in de kleinheid van zijn dagen – want inderdaad, in de routine van wat eens een stoïcijns leven was, ligt nog steeds de ware grandeur van zijn persoon vervat…de schoonheid van het rurale Engeland, het gezapige ritme van een zo eenvoudig bestaan, de mythevorming, de dorpsidioot die profetische proporties aanneemt (jij ook aan Johannes uit Carl Theodor Dreyers ‘Ordet’ gedacht?), de lokale kroeg en haar vaste stamgasten, een kerk als onverzettelijke schildwacht onder een hemelgewelf dat twijfelt tussen licht en donker…wat is geluk anders dan dit?...een korenveld als oceaan van het eigen gevoelsleven, elke stengel een gedachte, Jack Preston stapt erin en blikt om, hij staat in zijn eigen uitzicht, hij wordt wat hij ziet, kijkt naar binnen, in de peilloze diepte van zijn ambities, verlangens, grootheidswaan misschien. En…redt zichzelf?
Het ware genie van ‘Monte Carlo’ - daar waar de microkosmos van het uitgangspunt het pure vakmanschap overstijgt en een bijzonder aangrijpende macrovertelling wordt - zit in het lappendeken aan levens dat Terrin langzaam maar zeker doorheen de plot weeft. Een actrice, een prins, een vrouw die geheimen met zich meedraagt, een echtgenote die iets in zichzelf voelt ontwaken…wat daar in Monte Carlo gebeurde, heeft zijn stempel gedrukt op al hun levens, en ook daar mag de lezer van proeven. Weliswaar subtiel, bondig. (Zo bondig dat het een wereld aan mogelijke interpretaties opent. Ja!) Dat alles overigens in Terrins naadloos gecomponeerde stijl, ragfijn, extreem gevoelig, altijd helder, zelden of nooit te evident.
Een klein groot boek…tussen oefening en vervolmaking – een schitterend raadsel.
4*