Hersenschimmen - J. Bernlef (1984)
mijn stem
3,94
(394)
394 stemmen
Nederlands
Psychologisch
162 pagina's
Eerste druk: Querido,
Amsterdam (Nederland)
Maarten Klein woont met zijn vrouw Vera in Noord-Amerika, waar hij na zijn pensionering een rustig bestaan leidt. Tot er plotseling storingen in zijn brein optreden. Maarten verliest zijn greep op taal, herinnering en realiteit. Hij wordt een vreemdeling in zijn eigen wereld. Het contact met Vera, zijn enige houvast, raakt hij langzaam kwijt.
zoeken in:
1
geplaatst: 3 juli 2019, 17:47 uur
Als lezer doorga je eenzelfde proces als de hoofdrolspeler. Wanneer Maarten alle contact met de werkelijkheid heeft verloren, blijft er van dit boekje alleen nog een brij aan staccato-achtig taalgebruik over. Erg knap gedaan. Ook het inlevingsvermogen is indrukwekkend.
0
geplaatst: 25 mei 2020, 02:14 uur
Dit maakte indruk op mij, indertijd. Het was een krantje, niet een boek, en had een bepaalde naam, maar dat kan ik me zo niet meer herinneren - het wat was een goedkope uitgave van school i.i.g. - bulkboek, of zoiets. En er was ook een film van.
Dit was er 1 die me op sleeptouw nam naar een plek die ik eigenlijk niet bezoeken wou (wilde)... Een man die eindigt in een klein kutkamertje en de kluts kwijt aan het raken was. Weinig lol aan, maar toch kon ik het niet wegleggen.
*****.
Dit was er 1 die me op sleeptouw nam naar een plek die ik eigenlijk niet bezoeken wou (wilde)... Een man die eindigt in een klein kutkamertje en de kluts kwijt aan het raken was. Weinig lol aan, maar toch kon ik het niet wegleggen.
*****.
1
geplaatst: 2 augustus 2022, 10:54 uur
Dit boek stond altijd hoog op leeslijtjes op school want het is vrij makkelijk leesbaar en lekker dun, toch wel twee voorwaarden om populair te zijn bij de tot lezen gedwongen jeugd. Zelf had ik dit werkje nog nooit gelezen.
Hersenschimmen begint sterk. Het is één grote gedachtestroom en we zien alles via de hoofdpersoon Maarten Klein en voornamelijk via de gedachten van hem. Dat gaat twee pagina's nog normaal en al snel merk je als lezer dat de hoofdpersoon niet meer helder denkt. Knap gedaan en Bernlef geeft hier een bepaald beeld van iemand met dementie. Of dat echt zo gaat? Geen idee. Maar het geeft een sterk gevoel van vervreemding, juist omdat ik als lezer zie wat er mis gaat en de hoofdpersoon zelf niet. Dat alles in een kraakheldere stijl, op een bepaalde mannier indringend en toch ook fijn leesvoer.
Bernlef voert dit door. Maarten Klein wordt minder en minder helder en de stijl volgt dit. Echter, het wordt al snel een trucje waarvan de koek sowieso na een pagina of 100 al wel op was maar met het slechter worden van Klein wordt dit boek als leesvoer ook steeds minder interessant. Hierboven zegt Dionysos dat het meer de schrijver Bernlef wordt vanaf dat moment en dat gevoel is goed verwoord. Ik had niet meer het idee in het hoofd van de hoofdpersoon te zitten en het hele boek an sich gaat een beetje als een nachtkaars uit. In feite een uitstekende verwoording van het proces van dementie, maar minder boeiend om nog 50 pagina's te lezen. 3,5*.
Hersenschimmen begint sterk. Het is één grote gedachtestroom en we zien alles via de hoofdpersoon Maarten Klein en voornamelijk via de gedachten van hem. Dat gaat twee pagina's nog normaal en al snel merk je als lezer dat de hoofdpersoon niet meer helder denkt. Knap gedaan en Bernlef geeft hier een bepaald beeld van iemand met dementie. Of dat echt zo gaat? Geen idee. Maar het geeft een sterk gevoel van vervreemding, juist omdat ik als lezer zie wat er mis gaat en de hoofdpersoon zelf niet. Dat alles in een kraakheldere stijl, op een bepaalde mannier indringend en toch ook fijn leesvoer.
Bernlef voert dit door. Maarten Klein wordt minder en minder helder en de stijl volgt dit. Echter, het wordt al snel een trucje waarvan de koek sowieso na een pagina of 100 al wel op was maar met het slechter worden van Klein wordt dit boek als leesvoer ook steeds minder interessant. Hierboven zegt Dionysos dat het meer de schrijver Bernlef wordt vanaf dat moment en dat gevoel is goed verwoord. Ik had niet meer het idee in het hoofd van de hoofdpersoon te zitten en het hele boek an sich gaat een beetje als een nachtkaars uit. In feite een uitstekende verwoording van het proces van dementie, maar minder boeiend om nog 50 pagina's te lezen. 3,5*.
1
geplaatst: 28 september 2023, 19:28 uur
Ontroerend boek over iemand die zichzelf kwijtraakt door voortschrijdende dementie. Beschreven vanuit die persoon zelf. Met als consequentie dat de tekst ook steeds warriger wordt. Dat had voor mij niet zo gehoeven.
Zie ook Eclips van dezelfde schrijver.
Zie ook Eclips van dezelfde schrijver.
2
geplaatst: 31 juli, 17:54 uur
Hersenschimmen had ik op school gelezen voor mijn leeslijst (het boek moet toen net uit zijn gekomen) en ofschoon ik het een prettig leesbaar boek met een interessant beschreven ziekteverloop vond, maakte het op mij niet de indruk die bv. Reve’s De Avonden maakte, hetgeen er beslist mee te maken moet hebben gehad dat De Avonden volmaakt mijn eenzame frustraties en gevoelens van leegte als puber uitdrukte terwijl ik geen relatie voelde met de oude, dementerende man in Hersenschimmen. Inmiddels ben ik op een leeftijd dat het proces van ouder worden me wel raakt en omdat Hersenschimmen tot mijn verrassing opduikt als nummer 4 in de Lijst van beste Nederlandstalige boeken uit 2007 (https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_beste_Nederlandstalige_boeken), heb ik het herlezen. Maatschappelijk lijkt iets vergelijkbaars te zijn gebeurd: in tegenstelling tot Bernlef had de maatschappij in 1984 nog niet veel aandacht voor ouderdomsziekten als Alzheimer – reden te meer voor Bernlef er een boek over te schrijven waarin hij als kunstenaar vanuit zijn verbeelding probeerde te verwoorden hoe dat voor de patiënt moet zijn – zodat het boek niet breed werd opgemerkt, maar inmiddels geldt het als een echte klassieker.
De roman vertelt vanuit het perspectief van de 71-jarige hoofdpersoon Maarten die met zijn echtgenote Vera in de VS woont en is meteen ontroerend omdat hij associatief mijmert over wat hij in en rond het huis ziet en daarbij herinneringen beleeft en terugkijkt op z’n leven waardoor meteen de vergankelijkheid van het bestaan wordt benadrukt , bv. “De opwinding om het onbekende heeft plaats gemaakt voor herkenning” (p. 14) als hij op zijn liefdesleven met Vera terugkijkt en “Je kijkt om je heen en weet dat deze voorwerpen je zowat allemaal zullen overleven. Ze omringen je en soms heb je het gevoel: ze kijken me aan, bijna op voet van gelijkheid.” (p. 15) Sowieso is de simpele taal in korte zinnen opvallend ‘raak’ in z’n observaties van het leven en neigt het aldoor naar het poëtische, bv. “We bewogen in, over en uit elkaar. Pure lust was het. Puur en anoniem. (…) Pas toen de nachtportier van het Ambassador Hotel mijn naam noemde werd ik weer wie ik was.” (p. 56-57), “Mooi is dat spreken van mens tot mens, zo na elkaar, net kralen aan een ketting” (p. 72) en “het verdriet (…) dat nog wat nawoelt in mij zonder dat het tot gedachten of tot tranen komt. Eerder een koele helderheid als in een ongemeubileerd vertrek.” (p. 130).
Maar meteen is ook het thema van de roman, dementie, aanwezig als de roman opent met het sneeuwlandschap “als de sporen van de mens uit de natuur verdwijnen” (p. 7) waardoor verschillen verdwijnen en je niets meer kunt herkennen en dat natuurlijk staat voor het geheugen dat bij de man, die nu al vergeetachtig is, langzaam wordt gewist. Hij haat deze winter hetgeen ook zal staan voor de winter dus einde van zijn leven. En terwijl het al avond wordt, meent hij dat het nog ochtend is: “het wordt maar niet licht” (p. 20). Tot zijn ontzetting beseft hij dat er iets mis is –“dat gevoel even bij volle bewustzijn afwezig te zijn, zoek te raken of te verdwalen” (p. 17) – maar weet niet wat hem mankeert. Hij wil het geheim houden voor zijn vrouw, al beseft zij het ook en schakelt zij de dokter in die regelmatig langs komt die rust voorschrijft en medicijnen geeft.
Maartens verwarring wordt echter steeds groter, zoals dat hij woningen door elkaar haalt en denkt naar een vergadering op kantoor te moeten. In dat verband is het verlies van het systeem een ander motief: op zijn vroegere werk werden analyses gemaakt – een onzichtbaar maar vast systeem blootgelegd – om voorspellingen te doen, maar net als de standen van de thermometer nog geen systeem blootleggen en hij de wereld van zijn hond niet kent maar slechts de gevolgen, zo verliest Maarten nu bij alles het systeem onder wat hij ziet zoals wat de oorzaak is van de gelaatsuitdrukkingen zodat alles willekeurig en onvoorspelbaar wordt. Net als de hond kijkt hij wel maar ziet hij niet in de zin dat hij dingen niet meer herkent en dus bv. dingen niet meer kan vinden. Maarten verliest steeds meer de causaliteit van gebeurtenissen waardoor hij situaties associeert met herinneringen uit zijn jeugd, de oorlog of werkzame leven en hij bv. telkens denkt dat zijn moeder boodschappen is gaan doen als Vera even weg is (of hij belt naar de bibliotheek omdat hij denkt dat ze daar nog werkt) of denkt dat een van zijn kinderen ziek is als de dokter langskomt (terwijl de kinderen allang uit huis zijn) of denkt dat hij weer in het hotel in Parijs is waar hij een affaire beleefde als hij in bed ligt: het langetermijngeheugen vervangt aldus het kortetermijngeheugen. Maar ook de oude herinneringen zijn niet stabiel en verdwijnen net zo makkelijk als ze verschijnen. Uiteindelijk herkent hij Vera afwisselend wel en niet, al weet hij nog veel te vertellen over de oorlogsjaren die hij herbeleeft.
De dokter hoopt dat de vertrouwde omgeving Maarten helpt het spoor niet bijster te raken maar de vaste, eentonige routines van het leven van gepensioneerden maken alle dagen dezelfde en leeg zodat die de effecten van de ziekte ook lijken te verergeren, gelijk de sneeuw die alles gelijkmaakt. Zoals Vera zegt: “Maar mensen als wij leven van hun herinneringen. Als die er niet meer zijn, is er niets meer.” (p. 102) De ziekte wordt beschreven als een soort verstarring zodat Maarten de neiging heeft om te gaan lopen als zijn gedachten en in wezen zijn leven alsmaar wegzinkt in het niets “om de boel weer op gang te brengen” (p. 104) maar als hij het huis verlaat verdwaalt hij. Ook het ritme van de taal levert een houvast waarvan hij hoopt dat die zijn wereld weer in beweging brengt, maar ook het spreken wordt steeds moeilijker (“Alles gaat met horten en stoten” (p. 115) als het geen staande uitdrukkingen betreffen). De ziekte wordt erger en de situatie hopeloos: Vera krijgt hulp in de vorm van een meisje dat Maarten echter associeert met zijn dochter of een vriendin van haar terwijl hijzelf verlangt naar de lente want hij geeft de winter, die alles met een laag sneeuw bedekt en aldus laat verdwijnen, de schuld van zijn ziekte. Zijn verwarring en het misbegrip tussen hem en de anderen is even komisch als tragisch.
Maar als hij ook lichamelijke klachten krijgt, wordt de situatie grimmig en hallucinant waardoor de roman transformeert tot een werk met laat-expressionistische trekken (zoals bv. Alfred Döblins Die Ermordung einer Butterblume (1911) een psychose beschrijft): hij krijgt hoofdpijn, wordt duizelig en raakt helemaal van de wereld waarop hij vastgebonden moet worden omdat hij een gevaar voor zichzelf en anderen wordt. In zijn hallucinaties van licht worden en leeglopen terwijl z’n leeg hoofd zwelt verliest hij zichzelf (z’n zwaarte ofwel z’n ‘ik’) zoals ook zijn vermogen tot het formuleren van gedachten en zinnen steeds verder wordt beperkt tot uitroepen die als kurk naar de oppervlakte schieten. Tevergeefs zoekt hij houvast in woorden – de taal – terwijl het buiten sneeuwt als metafoor voor zijn finale collaps: het ‘warrelen’ van de sneeuwvlokken drukt zijn psychische desintegratie uit waarbij hij ook zelf vervliegt in de ruimte. Als hij ten slotte wordt opgenomen, zijn het nog slechts brokstukken van zinnen die de pagina’s vullen.
Toch lijkt er een discrepantie en daarmee een ogenschijnlijke incoherentie van de verteltechniek vanuit het perspectief van Maarten zelf: om de lezer mee te nemen in de psychische aftakeling van Maarten blijven de gedachten van Maarten als verteller van het verhaal reflectiever en coherenter dan dat hij weet te uiten tegen de andere personen in de roman waardoor zijn ziekte in die zin wat heeft van het locked-in-syndroom. Maar dat literair probleem wordt knap opgelost: aan de ene kant raakt hij zo vervreemd van de wereld om hem heen dat hij alleen zijn binnenwereld nog heeft (“Versta niemand… alleen nog de eigen woorden… zijn eigen taal van binnen” (p. 153))) waarbij ook zijn lichaam stuurloos wordt en aan de andere kant verdwijnt hijzelf (“… een dun doorzichtig punt in de ruimte is hij geworden” (p. 155) waarna Maarten niet meer de ik-verteller is maar als het ware van buiten tegen zichzelf praat met bevelen (bv. “Sta eens op jij” (p. 158)) en het ‘ik’ bijna onmerkbaar wordt afgewisseld of vervangen door ‘je’, ‘men’, ‘het’ of ‘hij’ om vanuit een derde persoonsperspectief te beschrijven wat er met Maarten gebeurt die ten slotte verlangt naar de hand van Vera om hem in de nacht te dragen. Waar Maarten zich eerder met hand en tand verzette tegen zijn toenemende afhankelijkheid – door zich vast te klampen aan voorwerpen, weg te lopen of zijn toestand te verheimelijken – eindigt de roman met een stil loslaten, een overgave aan zijn situatie. Vera fluistert hem de volgende ochtend in dat de lente op het punt staat te beginnen. Dat lijkt een wrange hoop, want alles wijst erop dat Maarten definitief verloren is in een wereld die hij nog wel ervaart maar niet meer met zichzelf kan verbinden, maar de lente breekt aan als een vorm van aanvaarding: hij verzet zich niet langer en geeft zich over aan de zorg van anderen.
Hersenschimmen is een mooie, warme en empathische roman die het leven beschrijft vanuit de demente persoon zelf en dat daarmee ook gelegenheid biedt literair te experimenteren met de vorm (de taal) om het proces van desintegratie weer te geven (in die zin is de roman laat-expressionistisch). Tezamen met de rake observaties over het leven en het contact met anderen überhaupt is het een rijk, soms ook poëtisch boek dat ons behalve inzicht geeft in het perspectief van de demente mens ook zelfherkenning biedt omdat we allemaal wel eens niet een goede match met de ander of wereld ervaren. Het boek is niet alleen een ziekteportret, maar een universele meditatie over vergankelijkheid, herinnering, identiteit en de fragiliteit van ‘ik’. Dat maakt het een terechte lieveling van zowel lezers als de critici.
In zekere zin is Bernlefs Hersenschimmen het spiegelbeeld van een andere klassieker: Hermans’ Nooit Meer Slapen (1966). Hersenschimmen heeft eenzelfde landschap en sobere, precieze stijl als Hermans’ klassieker: we zijn in een verlaten sneeuwlandschap waarbij de stijl van korte, heldere zinnen (de erfenis van Multatuli) de weinige objecten in dat landschap reflecteert en dat het isolement van de hoofdpersoon – de ik-persoon – uitdrukt omdat hij en die van Hermans beiden op hun eigen manier opgesloten zitten in hun eigen wereld van reflecties (gedachten en herinneringen) zonder effectief contact te kunnen maken met de ander. Wel is het verschil dat Hermans hoofdpersoon kil en sardonisch reflecteert en Bernlefs hoofdpersoon melancholisch mijmert: bij Hermans is het de rationele geest van de hoofdpersoon die in een wat monotoon plot langzaam stukloopt op het chaotisch universum terwijl bij Bernlef juist de geest van de hoofdpersoon in chaos uiteenvalt in een wat monotoon plot van geleidelijke aftakeling en zo langzaam maar zeker het contact verliest met zijn ordelijke omgeving.
De roman vertelt vanuit het perspectief van de 71-jarige hoofdpersoon Maarten die met zijn echtgenote Vera in de VS woont en is meteen ontroerend omdat hij associatief mijmert over wat hij in en rond het huis ziet en daarbij herinneringen beleeft en terugkijkt op z’n leven waardoor meteen de vergankelijkheid van het bestaan wordt benadrukt , bv. “De opwinding om het onbekende heeft plaats gemaakt voor herkenning” (p. 14) als hij op zijn liefdesleven met Vera terugkijkt en “Je kijkt om je heen en weet dat deze voorwerpen je zowat allemaal zullen overleven. Ze omringen je en soms heb je het gevoel: ze kijken me aan, bijna op voet van gelijkheid.” (p. 15) Sowieso is de simpele taal in korte zinnen opvallend ‘raak’ in z’n observaties van het leven en neigt het aldoor naar het poëtische, bv. “We bewogen in, over en uit elkaar. Pure lust was het. Puur en anoniem. (…) Pas toen de nachtportier van het Ambassador Hotel mijn naam noemde werd ik weer wie ik was.” (p. 56-57), “Mooi is dat spreken van mens tot mens, zo na elkaar, net kralen aan een ketting” (p. 72) en “het verdriet (…) dat nog wat nawoelt in mij zonder dat het tot gedachten of tot tranen komt. Eerder een koele helderheid als in een ongemeubileerd vertrek.” (p. 130).
Maar meteen is ook het thema van de roman, dementie, aanwezig als de roman opent met het sneeuwlandschap “als de sporen van de mens uit de natuur verdwijnen” (p. 7) waardoor verschillen verdwijnen en je niets meer kunt herkennen en dat natuurlijk staat voor het geheugen dat bij de man, die nu al vergeetachtig is, langzaam wordt gewist. Hij haat deze winter hetgeen ook zal staan voor de winter dus einde van zijn leven. En terwijl het al avond wordt, meent hij dat het nog ochtend is: “het wordt maar niet licht” (p. 20). Tot zijn ontzetting beseft hij dat er iets mis is –“dat gevoel even bij volle bewustzijn afwezig te zijn, zoek te raken of te verdwalen” (p. 17) – maar weet niet wat hem mankeert. Hij wil het geheim houden voor zijn vrouw, al beseft zij het ook en schakelt zij de dokter in die regelmatig langs komt die rust voorschrijft en medicijnen geeft.
Maartens verwarring wordt echter steeds groter, zoals dat hij woningen door elkaar haalt en denkt naar een vergadering op kantoor te moeten. In dat verband is het verlies van het systeem een ander motief: op zijn vroegere werk werden analyses gemaakt – een onzichtbaar maar vast systeem blootgelegd – om voorspellingen te doen, maar net als de standen van de thermometer nog geen systeem blootleggen en hij de wereld van zijn hond niet kent maar slechts de gevolgen, zo verliest Maarten nu bij alles het systeem onder wat hij ziet zoals wat de oorzaak is van de gelaatsuitdrukkingen zodat alles willekeurig en onvoorspelbaar wordt. Net als de hond kijkt hij wel maar ziet hij niet in de zin dat hij dingen niet meer herkent en dus bv. dingen niet meer kan vinden. Maarten verliest steeds meer de causaliteit van gebeurtenissen waardoor hij situaties associeert met herinneringen uit zijn jeugd, de oorlog of werkzame leven en hij bv. telkens denkt dat zijn moeder boodschappen is gaan doen als Vera even weg is (of hij belt naar de bibliotheek omdat hij denkt dat ze daar nog werkt) of denkt dat een van zijn kinderen ziek is als de dokter langskomt (terwijl de kinderen allang uit huis zijn) of denkt dat hij weer in het hotel in Parijs is waar hij een affaire beleefde als hij in bed ligt: het langetermijngeheugen vervangt aldus het kortetermijngeheugen. Maar ook de oude herinneringen zijn niet stabiel en verdwijnen net zo makkelijk als ze verschijnen. Uiteindelijk herkent hij Vera afwisselend wel en niet, al weet hij nog veel te vertellen over de oorlogsjaren die hij herbeleeft.
De dokter hoopt dat de vertrouwde omgeving Maarten helpt het spoor niet bijster te raken maar de vaste, eentonige routines van het leven van gepensioneerden maken alle dagen dezelfde en leeg zodat die de effecten van de ziekte ook lijken te verergeren, gelijk de sneeuw die alles gelijkmaakt. Zoals Vera zegt: “Maar mensen als wij leven van hun herinneringen. Als die er niet meer zijn, is er niets meer.” (p. 102) De ziekte wordt beschreven als een soort verstarring zodat Maarten de neiging heeft om te gaan lopen als zijn gedachten en in wezen zijn leven alsmaar wegzinkt in het niets “om de boel weer op gang te brengen” (p. 104) maar als hij het huis verlaat verdwaalt hij. Ook het ritme van de taal levert een houvast waarvan hij hoopt dat die zijn wereld weer in beweging brengt, maar ook het spreken wordt steeds moeilijker (“Alles gaat met horten en stoten” (p. 115) als het geen staande uitdrukkingen betreffen). De ziekte wordt erger en de situatie hopeloos: Vera krijgt hulp in de vorm van een meisje dat Maarten echter associeert met zijn dochter of een vriendin van haar terwijl hijzelf verlangt naar de lente want hij geeft de winter, die alles met een laag sneeuw bedekt en aldus laat verdwijnen, de schuld van zijn ziekte. Zijn verwarring en het misbegrip tussen hem en de anderen is even komisch als tragisch.
Maar als hij ook lichamelijke klachten krijgt, wordt de situatie grimmig en hallucinant waardoor de roman transformeert tot een werk met laat-expressionistische trekken (zoals bv. Alfred Döblins Die Ermordung einer Butterblume (1911) een psychose beschrijft): hij krijgt hoofdpijn, wordt duizelig en raakt helemaal van de wereld waarop hij vastgebonden moet worden omdat hij een gevaar voor zichzelf en anderen wordt. In zijn hallucinaties van licht worden en leeglopen terwijl z’n leeg hoofd zwelt verliest hij zichzelf (z’n zwaarte ofwel z’n ‘ik’) zoals ook zijn vermogen tot het formuleren van gedachten en zinnen steeds verder wordt beperkt tot uitroepen die als kurk naar de oppervlakte schieten. Tevergeefs zoekt hij houvast in woorden – de taal – terwijl het buiten sneeuwt als metafoor voor zijn finale collaps: het ‘warrelen’ van de sneeuwvlokken drukt zijn psychische desintegratie uit waarbij hij ook zelf vervliegt in de ruimte. Als hij ten slotte wordt opgenomen, zijn het nog slechts brokstukken van zinnen die de pagina’s vullen.
Toch lijkt er een discrepantie en daarmee een ogenschijnlijke incoherentie van de verteltechniek vanuit het perspectief van Maarten zelf: om de lezer mee te nemen in de psychische aftakeling van Maarten blijven de gedachten van Maarten als verteller van het verhaal reflectiever en coherenter dan dat hij weet te uiten tegen de andere personen in de roman waardoor zijn ziekte in die zin wat heeft van het locked-in-syndroom. Maar dat literair probleem wordt knap opgelost: aan de ene kant raakt hij zo vervreemd van de wereld om hem heen dat hij alleen zijn binnenwereld nog heeft (“Versta niemand… alleen nog de eigen woorden… zijn eigen taal van binnen” (p. 153))) waarbij ook zijn lichaam stuurloos wordt en aan de andere kant verdwijnt hijzelf (“… een dun doorzichtig punt in de ruimte is hij geworden” (p. 155) waarna Maarten niet meer de ik-verteller is maar als het ware van buiten tegen zichzelf praat met bevelen (bv. “Sta eens op jij” (p. 158)) en het ‘ik’ bijna onmerkbaar wordt afgewisseld of vervangen door ‘je’, ‘men’, ‘het’ of ‘hij’ om vanuit een derde persoonsperspectief te beschrijven wat er met Maarten gebeurt die ten slotte verlangt naar de hand van Vera om hem in de nacht te dragen. Waar Maarten zich eerder met hand en tand verzette tegen zijn toenemende afhankelijkheid – door zich vast te klampen aan voorwerpen, weg te lopen of zijn toestand te verheimelijken – eindigt de roman met een stil loslaten, een overgave aan zijn situatie. Vera fluistert hem de volgende ochtend in dat de lente op het punt staat te beginnen. Dat lijkt een wrange hoop, want alles wijst erop dat Maarten definitief verloren is in een wereld die hij nog wel ervaart maar niet meer met zichzelf kan verbinden, maar de lente breekt aan als een vorm van aanvaarding: hij verzet zich niet langer en geeft zich over aan de zorg van anderen.
Hersenschimmen is een mooie, warme en empathische roman die het leven beschrijft vanuit de demente persoon zelf en dat daarmee ook gelegenheid biedt literair te experimenteren met de vorm (de taal) om het proces van desintegratie weer te geven (in die zin is de roman laat-expressionistisch). Tezamen met de rake observaties over het leven en het contact met anderen überhaupt is het een rijk, soms ook poëtisch boek dat ons behalve inzicht geeft in het perspectief van de demente mens ook zelfherkenning biedt omdat we allemaal wel eens niet een goede match met de ander of wereld ervaren. Het boek is niet alleen een ziekteportret, maar een universele meditatie over vergankelijkheid, herinnering, identiteit en de fragiliteit van ‘ik’. Dat maakt het een terechte lieveling van zowel lezers als de critici.
In zekere zin is Bernlefs Hersenschimmen het spiegelbeeld van een andere klassieker: Hermans’ Nooit Meer Slapen (1966). Hersenschimmen heeft eenzelfde landschap en sobere, precieze stijl als Hermans’ klassieker: we zijn in een verlaten sneeuwlandschap waarbij de stijl van korte, heldere zinnen (de erfenis van Multatuli) de weinige objecten in dat landschap reflecteert en dat het isolement van de hoofdpersoon – de ik-persoon – uitdrukt omdat hij en die van Hermans beiden op hun eigen manier opgesloten zitten in hun eigen wereld van reflecties (gedachten en herinneringen) zonder effectief contact te kunnen maken met de ander. Wel is het verschil dat Hermans hoofdpersoon kil en sardonisch reflecteert en Bernlefs hoofdpersoon melancholisch mijmert: bij Hermans is het de rationele geest van de hoofdpersoon die in een wat monotoon plot langzaam stukloopt op het chaotisch universum terwijl bij Bernlef juist de geest van de hoofdpersoon in chaos uiteenvalt in een wat monotoon plot van geleidelijke aftakeling en zo langzaam maar zeker het contact verliest met zijn ordelijke omgeving.
* denotes required fields.
* denotes required fields.
