menu

Americana. Omzwervingen in de Amerikaanse Cultuur - Joost Zwagerman (2013)

mijn stem
4,42 (6)
6 stemmen

Nederlands
Sociaal / Autobiografisch

1216 pagina's
Eerste druk: Arbeiderspers, Utrecht (Nederland)

Voor Americana maakte Joost Zwagerman een keuze uit de honderden artikelen en essays die hij in zijn leven schreef over Amerikaanse cultuur: literatuur, film, beeldende kunst, fotografie, popmuziek, et cetera. Hij vulde die keuze aan met nieuwe essays en portretten. Americana biedt niet alleen een totaaloverzicht van het schrijverschap van Zwagerman, maar is ook een persoonlijke in kaart gebrachte cultuurgeschiedenis van het Amerika van begin twintigste eeuw tot heden. Zwagerman volgt zijn fascinaties en obsessies, zodat Americana indirect ook een soort autobiografie in essayvorm is.

zoeken in:
avatar van liv2
liv2 (crew)
2 delen in cassette

avatar van mjk87
Klinkt interessant, al vind ik Zwagerman vooral een boeiende spreker en niet zozeer een boeiende schrijver.

avatar van Donkerwoud
Klinkt interessant, maar wel een wat lijvig werk. Moet je maar tijd en zin voor hebben.

avatar van Theunis
4,5
Zo. Ik ben op de helft. Althans, deel I heb ik uit. Het gedeelte dat gaat over de geschreven kunst. 673 pagina's lang, gevuld met essays over Amerikaanse literatuur. Ik was benieuwd of ik het vol zou houden, of Zwagerman me voldoende kon blijven boeien. En, op een paar gedeeltes na, kan ik volmondig zeggen dat ik dit eerste gedeelte met veel plezier heb gelezen. Dit heeft te maken met de Americana die me altijd al heeft weten te boeien, maar dit heeft ook zeker te maken met de manier waarop Zwagerman het heeft opgeschreven.

De inleiding was al veelbelovend. Het Amerika waar Zwagerman in Alkmaar van droomde, naar droomde ik iets noordoostelijker ook van. Als Zwagerman over de Amerikaanse literatuur spreekt en het belang van 'de overmijdelijke verpulvering van' de Great Expectations, de nachtmerrie achter de Amerikaanse droom, dan weet je dat je als lezer met de schrijver mee wil zoeken naar de belangrijkste auteurs die dit menselijke leed zichtbaar hebben gemaakt. Als Zwagerman zich afvraagt waar je als dromer in de Verenigde Staten naar toe moet en zich afvraagt of er dan een ander land of een andere tijd is die een mogelijke uitweg kunnen bieden, dan weet je dat er voldoende raakvlak is om samen op reis te gaan door het weidse Amerikaanse schrijverslandschap.

De reis start in Suburbia, de dodelijk beklemmende Amerikaanse voorsteden om daarna aan te belanden bij de Beatniks: Ginsberg, Kerouac en Burroughs. Ik ben geen fan van het werk van Kerouac, de enige van deze schrijvers die ik tot nu toe las. Het is verhelderend om te lezen waarom ze zo belangrijk waren in die tijd: ze waren een 'inspirerend alternatief voor het ingedutte academisme in de Amerikaanse poëzie'. Een andere wind, een broodnodige verandering die van grote invloed is geweest op daaropvolgende schrijvers. De meta-positie van waaruit Zwagerman kan kijken was hier verruimend voor mij als amateurlezer.

Dit laatste is wat Zwagerman me op veel meer plaatsen in het boek kon brengen. In mijn voorlopige omzwervingen in het literatuurlandschap moest ik het voornamelijk van de recensies op BoekMeter en GoodReads en mijn eigen bescheiden gedachtekronkels hebben. Een meer dan geoefend lezer als Zwagerman weet steeds helder en duidelijk uit te leggen wat een boek of een schrijver zo goed of belangrijk maakt. Vaak zonder dat hij zelf hierin voorkeuren uitspreekt.

En zo kwam ik nog al eens wat te weten over schrijvers die ik niet kende. Zo blijkt niet Capote, maar Mailer dé non-fictieroman te hebben geschreven met zijn The Executioner's Song. En zo leer ik dat John Updike misschien wel een van de beste auteurs is die Amerika heeft voortgebracht. Van hem las ik nog nooit iets, maar ik heb meteen de Rabbit-reeks op mijn leeslijst gezet. Ik leerde dat Bukowski geïnspireerd is door de boeken van Carson McCullers en John Fante, schrijvers die in het boek amper worden genoemd, maar die ik erg goed vind. Ik las over de klassieker van Herzog van Saul Bellow. Zwagerman legde de bedoelingen van Brett Easton Ellis in American Psyhco uit, een boek dat ik maar met moeite heb kunnen uitlezen. Ik was onder de indruk van de manier waarop Zwagerman diepgaande verbanden legde tussen boeken en schrijvers. En ondertussen werd ik om de oren geslagen met ideeën en meningen over het schrijven zelf. Zo schrijft Zwagerman ergens dat 'we niet meer in de eeuwigheid geloven' en dat we daardoor 'kunst en architectuur (maken) die veel minder dan voorheen de tand des tijds kunnen doorstaan'. En ergens anders gaat het over het taboe op zelfmoord, opgelegd door Augustinus en dat 'het meest perverse gevolg van deze cultuuromslag was dat iemand wiens zelfmoord mislukt, bij wet ter dood kon worden veroordeeld'. Uiteenlopende onderwerpen die allemaal prachtig zijn uitgewerkt in de essays.

En de verveling? En het moment dat het doorlezen even iets meer gestaag ging? Dat kwam op momenten dat er over het gekissebis tussen schrijvers werd geschreven. Of over zinloze literaire discussies waar een gewone lezer, een leek (zoals ikzelf), totaal geen betekenis meer in ziet. En soms ging het over een schrijver waarvan ik meteen wist dat ik er niets van zou lezen. Maar, zoals gezegd, waren dit maar een paar gedeeltes van het lijvige geheel.

Op een gegeven moment wordt de leeservaring heftig. In het gedeelte getiteld: 'Het Zwarte Vaandel op Mijn Schedel', gaat het over zelfmoord. De studie die Zwagerman hier op heeft losgelaten geeft bijna een obsessie weer, zeker als je weet dat Zwagerman later zelf zelfmoord zou plegen. Hij schrijft in deze essays onder anderen de zelfmoorden van Kurt Cobain, David Foster Wallace en Sylvia Plath. In het stuk over Wallace noemt Zwagerman de titel van diens 'virtuoos-vrolijke verhaal'. De titel is Death Is Not the End. Zwagerman besluit dit stuk met vier woorden die als een mokerslag aankomen gezien zijn eigen einde. Na de titel te hebben genoemd noteert hij: 'en zo is het'. Bam!

Het een na laatste hoofdstuk gaat over het korte verhaal. Die stroming verdient een Nederland een opwaardering, maar is in Amerika een nationale kunstvorm. Dankzij Zwagerman ben ik er zeker van dat ik al een aantal grote auteurs in deze stroming heb gelezen. En na het lezen van dit gedeelte heb ik er nog een flink aantal op de leeslijst bijgezet. Ik ben een groot liefhebber van het korte verhaal en het was daarom een zeer prettig gedeelte om over te lezen.

Deel I eindigt met schrijvers die vanuit het buitenland Amerika zijn binnengekomen. Van deze schrijvers is wellicht Nabokov het bekendste. Ik heb twee boeken van deze geweldenaar gelezen en, ook omdat Nabokov veel vaker in het boek als inspiratiebron voor Amerikaanse schrijvers naar voren kwam, ik heb meteen meerdere boeken van hem op mijn leeslijst gezet.

Gisteravond ben ik voorzichtig begonnen met Deel II van deze fantastische verzameling essays en verhalen. Muziek, film en beeldende kunst is nu aan de beurt. Ik ben benieuwd of ik even enthousiast kan zijn over het tweede gedeelte.

avatar van Theunis
4,5
Na deel I te hebben uitgelezen twijfelde ik of ik meteen aan deel II wilde beginnen. Maar ach, ik was toch toevallig in de bibliotheek en toevallig liep ik naar boven om te kijken of deel II er toevallig gewoon lag. En toen ik deel II eenmaal thuis in de boekenkast had staan, kon het vast geen kwaad om alvast met de introductie van het eerste gedeelte, over muziek, te beginnen. Voordat ik het wist was ik tientallen pagina’s verder. Nee, ook dit gedeelte zou ik niet gemakkelijk wegleggen.

Over smaak valt niet te twisten, maar Zwagerman weet op een overtuigende manier ook zijn voorkeuren in de muziek bijna objectief naar voren te brengen. Daarin sijpelt zo af en toe een prachtige irritatie door, zoals wanneer hij het heeft over de ‘alomtegenwoordigheid’ van Bono bij goede doelen. Zwagerman vraagt zich of ‘de man (niet) uit gewoonte opdraaft, zoals bij parochianen de hand louter reflexmatig naar de beurs gaat als het kerkenzakje passeert. Muziek van Pink Floyd en Genesis wordt ergens gebombardeerd tot ‘bombastische burgermanspsychedelica van pretentieuze jongensverenigingen’. Punk biedt troost, maar zijn liefde voor Prince is aanstekelijk. Hij is, gelukkig, zowel lyrisch als meedogenloos kritisch.

Ergens raakt hij een pijnlijk punt bij mij als lezer als hij, onder andere, Springsteen een ‘risicovrije muziekfrabiek’ noemt - ‘gerespecteerde concerns die formeel voldoen aan de strengste kwaliteitseisen maar die sinds jaren producten afleveren waar kraak noch smaak aan zit. Laat mij hier dan ook mijn idool Zwagermaniaans verdedigen tegen deze kritiek. Springsteen mag dan met zijn laatste twee albums aan deze omschrijving voldoen, maar albums als ‘The Rising’ (2001) en Magic (2007) zijn toch alles behalve smaakloze producten. Deze platen behoren, mijns inziens tot de beste van zijn oeuvre.

Boeiend is de stelling dat artiesten maar tien jaar op de toppen van hun vermogens functioneren. Als voorbeeld worden onder anderen Bowie (jaren ’70) en The Stones (1966 t/m 1972) aangehaald. En inderdaad, als je de lijn doortrekt, zou je hetzelfde van artiesten als Neil Young, R.E.M., U2, Elvis Costello en Bob Dylan zeggen. Ook mijn persoonlijke favorieten, Wilco en Ryan Adams (en misschien dan toch Springsteen?), hebben hun beste platen te hebben gemaakt tussen midden en eind jaren negentig en 2007. Natuurlijk, het lukt artiesten wel eens om tot een incidenteel goede plaat te komen, maar het zal altijd worden vergeleken met eerder, en vaak (net iets) beter, werk. Hoe verklaren we dit? Zit er een tijdslimiet aan de creativiteit van artiesten? Is er een bepaalde leeftijdsfase waarin artiesten niet meer interessant kúnnen zijn voor luisterend publiek? Zijn wij als luisteraars op een gegeven moment verzadigd en luisteren we altijd met het verleden van de artiest in ons geheugen?

De bewondering voor Madonna vond ik verrassend. Al blijkt Zwagerman vooral vol lof te zijn over de manier waarop Madonna haar imago keer op keer weet te gebruiken tot communicatiemiddel, om taboes te doorbreken, om haar verhaal te vertellen, om haar seksualiteit te uiten. Naar haar muziek zal ik niet snel gaan luisteren, ook niet na wat Zwagerman schreef, maar hij heeft me anders naar haar laten kijken. Zoals hij me weer even naar Prince liet luisteren en dat is wat Zwagerman steeds doet: hij dringt door tot in de nerven van de artiest en weet mij als lezer continu in beweging te krijgen.

Na de muziek is de film aan de beurt. Woody Allen komt langs, ook Blue Velvet, The Great Gatsby en de Coen Brother komen langs. Zwagerman schuwt ook de porno niet. Het essay over misschien wel de beste televisieserie ooit, Mad Men, is prachtig en vol lof geschreven.

Na de film volgt het grote gedeelte over schilderkunst. In de introductie stelt de schrijver zich min of meer een doel als hij schrijft dat ‘in het gelukkigste geval (..) het schrijven én lezen van non-fictie over kunst evenzeer een ervaring’ is. En ‘dat die ervaring ván de tekst over kunst (..) van groter gewicht (is) dan het oordeel over die kunst ín de tekst’. Ik ben geen ervaring kunstwatcher en moet het daarom doen met de tekst over de kunst. Omdat het Zwagerman blijft lukken om mij, ook tijdens dit laatste grote deel van het boek, te boeien, mag je zeggen dat hij in zijn opzet geslaagd is. Wat me in dit gedeelte weer opviel was het gemak waarop de schrijver verbindingen legt en een enorme massa kennis bezit. Zo is het opeens volstrekt logisch dat de regisseur van Mad Men heel goed naar de schilderijen van Edward Hopper heeft gekeken. Ineens wil ik zelf ook werk van Hopper zien. Zoals ik ook werk van Rothko wil zien, omdat Zwagerman me ervan heeft overtuigd dat er wel degelijk meer te zien is in het abstract expressionisme dan je op het eerste gezicht kunt zien (hoe kan het ook anders?).

Er volgt een groot gedeelte over Andy Warhol, een van de andere kunstenaars waar Zwagerman liefhebber van is. Americana sluit af met een aantal essays over fotografie. Opnieuw worden er voor mij nieuwe interessante artiesten geïntroduceerd: Diane Arbus, Gregory Crewdson, Walker Evans en Robert Frank.

Mijn wandelingen in Zwagerman’s omzwervingen in de Amerikaanse cultuur was er een met bijna alleen maar hoogtepunten: een boeiende tocht die van mij nog best wat langer had mogen duren.

avatar van the Cheshire cat
Joost Zwagerman schreef in totaal drie essays over popster Madonna, die zijn verzameld in deze bundel Americana onder het kopje Madonnarama: Macho Madonna, Goddess en Midlife Madonna.

Macho Madonna, de eerste essay en wat mij betreft de beste gaat onder andere over Madonna's steeds wisselende imago, haar haat-liefdeverhouding met de katholieke kerk, haar androgyne uiterlijk, haar affiniteit met nichten (De nichtenscene is paradijselijk. Madonna leeft op te midden van de joyeuze gays en valt voor hun flirterige hang naar theatraliteit, hun talent voor overacting, hun maniertjes en hun gevoel voor camp en decadentie. In homokringen bouwt ze een bescheiden reputatie op als 'fruitfly', nichtenmeisje, of, zoals ze het zelf noemt, 'fag hag' (letterlijk: mietjesheks). Madonna wordt het kokette meisje dat zich het lekkerst voelt te midden van beeldschone jongens van de verkeerde kant.) en haar controversiële videoclips zoals Like a Prayer (Door Madonna zelf bedoeld als hoogstpersoonlijke geloofsbelijdenis maar door anderen, onder wie de paus, beschouwd als blasfemie tot in derde graad. Klassenjustitie, interraciale seks, de Klu-Klux-Klan, homoseksualiteit, fysieke verering van een icoon, Madonna als Maria Magdalena, de hartenklop van een zwárt heiligenbeeld: republikeins Amerika en het Vaticaan komen vingers tekort om de subversief en blasfemisch geachte scènes en thema's te tellen. Natuurlijk breekt de hel los. Madonna ontvangt haar eerste, serieuze bedreigingen. In kringen van de Ku-Klux-Klan staat zij definitief te boek als 'niggerpussy'...)

In het tweede, Goddess, worden de biografieën besproken die er zoal over de wereldster zijn verschenen, onder meer dat walgelijke boek van Andrew Morton. Andrew Morton, die zeer terecht door Madonna, zo kan ik me nog herinneren, 'dat onderkruipsel' werd genoemd. Ik vind Zwagerman nog behoorlijk mild over dat boek, maar hij zegt wel : Voor de rest kun je er alleen maar over zeggen dat Andrew Morton de eerste Madonnabiografie schreef waarin zo weinig te vinden is over haar muziek. Je verdenkt hem er bijna van dat hij een Madonnahit niet kan onderscheiden van een nummer van, zeg, tieneridolen Britney Spears of Jennifer Lopez.

Midlife Madonna ten slotte gaat over de eerste keer dat Zwagerman een concert bijwoonde van Madonna in het Gelredome (Re-Invention Tour). Ook ik zag Madonna voor de eerste keer in het Gelredome in Arnhem in 2004. Later op het journaal vernam ik dat Zwagerman dezelfde show had gezien want hij werd na afloop van het concert nog geïnterviewd. Waarschijnlijk zat hij ergens op de tribune achterin, omdat hij het in zijn essay heeft over 'poppetjes in de verte'. Zelf stond ik goed vooraan en kon alles dus goed aanschouwen. Ik had zelfs nog een vluchtig oogcontact met Madonna. Op een gegeven moment huppelde ze over een soort van bouwstellage heen die over het publiek heen hing en zo kon ik, zo'n 3 tot 4 meter lager, onder haar Schotse rok kijken. Een vreemde gewaarwording, al zeg ik 't zelf, maar eenmaal weer buiten bedacht ik me opeens: maar wie heeft er nu niet bij haar onder de rok mogen kijken? Het mooiste aan de show vond ik nog de voor Madonna's doen eenvoudige uitvoering van Papa Don't Preach, waarin ze aan het einde een cirkel vormt met haar achtergronddanseressen en zij gaan ronddraaien, wat mij sterk deed denken aan het schilderij 'La Danse' van Henri Matisse uit 1909 waarop vijf naakte figuren te zien zijn die hand in hand in het rond dansen. Als er een KunstMeter zou bestaan zou dat doek vast en zeker in mijn top tien komen te staan.

Joost Zwagerman had een bijzondere en ruimdenkende kijk op kunst.

Gast
geplaatst: vandaag om 04:12 uur

geplaatst: vandaag om 04:12 uur

Let op: In verband met copyright is het op BoekMeter.nl niet toegestaan om de inhoud van externe websites over te nemen, ook niet met bronvermelding. Je mag natuurlijk wel een link naar een externe pagina plaatsen, samen met je eigen beschrijving of eventueel de eerste alinea van de tekst. Je krijgt deze waarschuwing omdat het er op lijkt dat je een lange tekst hebt geplakt in je bericht.

* denotes required fields.

Let op! Je gebruikersnaam is voor iedereen zichtbaar, en kun je later niet meer aanpassen.

* denotes required fields.