Het vervolg op
Orbitor. Aripa Stângă - Mircea Cărtărescu (1996) en helemaal in dezelfde stijl geschreven. Met dat verschil dat je als lezer in dit tweede boek meer weet wat er te verwachten valt, en je je dus bij het begin al mentaal voorbereidt op de waanzinnige tocht die je af gaat leggen. Toch vond ik dit boek rechtlijniger dan het vorige. De uitstapjes in het verleden zijn langer, de context is duidelijker en de schrijfstijl regelmatig ook minder hermetisch.
Waar in het eerste boek de directe context minder duidelijk was, is dit boek in vergelijking bijna rechttoe rechtaan: Mircea zit in zijn appartement in het laatste nog rechtstaande gebouw van de wijk die afgebroken wordt voor de bouw van het Huis van de Volk in Boekarest, en hij schrijft aan zijn 'onleesbare boek' (een mooi teken van sympathie voor de lezer, dat hij dat tenminste zelf doorheeft). Als ook zijn gebouw eraan gaat, verhuist hij noodgedwongen terug naar zijn ouderlijk huis. Punt. Meer niet. Maar tussendoor dwaalt zijn 'onleesbare boek' ellenlang heen en weer door geschiedenis, herinneringen en hallucinaties van de schrijver. Deze uitstapjes zijn, meer nog dan in het eerste boek, geniaal. Misschien omdat ze minder vergezocht zijn - al zijn ze dat natuurlijk nog steeds wel. We zien een verre voorvader van Mircea die ergens in de vroege 19e eeuw brandweerkapitein is en deelneemt aan hallucinante optocht door de stad (terwijl hij zich herinnert hoe als kind hij getuige geweest is van seksuele orgieën), waarna hij met een raadselachtige circusdirecteur onder de aarde verdwijnt (zoals talloze andere personages van Cartarescu door onderaardse gewelven zijn opgeslokt - een beetje het thema van deze boeken lijkt het). Het absolute hoogtepunt van dit boek zijn echter de vele verhalen over de jeugd van Mircea zelf, hoe zijn moeder tapijten weefde thuis (tapijten waarin het verleden, heden en toekomst van de gehele mensheid in vervat zat), maar vooral hoe hij met zijn vrienden rond de woonblokken waar ze woonden ging spelen. Of naar het circus gingen kijken. Zoals steeds zijn het verhalen die klein beginnen, charmeren, meeslepen in hun herkenbaarheid - om vervolgens meedogenloos te onsporen in de losgeslagen fantasie van een klein kind (of die van de volwassen schrijver die het zich zo wil herinneren).
Als lezer laat je je meeslepen door de nukken van de schrijver, bent blij als hij een spannend verhaal vertelt en bijt op de tanden als je weer eens bladzijden lang met hermetische woordenbrij wordt geconfronteerd. Het boek blijft weergaloos en bevat genoeg stof om het tien keer te herlezen en toch telkens nieuwe dingen te ontdekken - als je het aandurft. Ik heb in ieder geval veel zin gekregen om het eerste boek nog eens terug te lezen! Wat goed uitkomt, want het derde is dus nog niet vertaald.
Dit boek eindigt met een uitstap naar Amsterdam en het Hollandse platteland. Cartarescu was in Amsterdam als hij een groot deel van zijn boek schreef, en heeft zich blijkbaar door zijn omgeving laten inspireren. Net als de uitstap naar de Verenigde Staten in boek één is de zin van de uitstap totaal onduidelijk, maar boeit het verhaal ook zo. Zoals steeds begint het met een kleine annekdote (hier over een kleine schaatser), dat langzaam uitgroeit tot een universum-omgrijpende fantasie over de zin van het leven en de staat van de mensheid. Waarna de kleine schaatser terug naar huis gaat en zijn leven verderzet.
De verrassing is er bij dit boek natuurlijk een beetje af, in de plaats daarvan vond ik het gewoon nog weergallozer dan het vorige. Uniek, overweldigend, meeslepend en vervelend tegelijk, eindeloos arrogant en bewonderenswaardig, overlopend van perverse en hoogst intellectuele gedachten tegelijk. Had ik al eens gezegd dat deze man een nobelprijs verdient?