nummer2 schreef:
Het is verder sowieso een trilogie die ik niet direct aanraad aan 'normale' lezers, maar eerder aan historici/filosofen etc.
Ja, Broch is geniaal.

Ik heb zojuist met hem kennisgemaakt door middel van z'n verhaaltje Overtrekkende wolk (Vorüberziehende Wolke) uit 1933 dat me deze gedachten opleverde:
Meteen bij het lezen van de eerste pagina’s is duidelijk dat we met een auteur met bijzondere begaafdheid en stijl te maken hebben: het verhaal beschrijft niets anders dan de gang van een jonge vrouw naar de kerk op een zonnige zondagochtend en daarbij een man passeert, maar het legt in deze ‘gebeurtenis’ het hele zielenleven van de vrouw open in dieptepsychologische beschrijvingen die tevens een mystiek achter de ordinaire verschijnselen suggereren, bv. “Nu lag de straat werkelijk geheel leeg voor haar, en dat was een soort wanhopige leegte” (p. 530). De wijze waarop ze haar gebedenboek vasthoudt verraadt een “conservatieve lichaamshouding” en gaandeweg wordt duidelijk dat haar conservatisme een geloof in een orde impliceert waarbij aarde en de hemel, hetgeen zij associeert met onreinheid vs. reinheid, van elkaar gescheiden zijn. De passerende man blijkt een ongedistingeerd, ietwat proletarisch uiterlijk te hebben, zodat zij als reine vrouw geen (oog)contact met hem mag hebben terwijl zij meent dat hij is omgekeerd en haar volgt, hetgeen ook een (verboden) erotische spanning geeft. Zij associeert hem met de toeristen die in het museum de slaapvertrekken van de groothertog “niet alleen met vuile schoenen maar ook met vuile gedachten” betreden waar ze van walgt maar zelf lijkt ze die vuile gedachten slechts met moeite te kunnen onderdrukken: in ieder geval is ze geobsedeerd door de man wiens blik ze aldoor denkt te voelen waarbij ze zich in veiligheid probeert te brengen. De ‘ontmoeting’ met de man lijkt aldus een tijdelijk verstoring van de metafysische orde te betekenen, in welke orde hemel en aarde gescheiden zijn en er bv. geen kinderwagens door het schone slotpark rijden omdat hun “onbehoorlijke inhoud” doen denken aan geslachtelijk verkeer.
Aldoor speelt de blauwe hemel, haar vredige stilte en haar cirkelvormig gewelf een symbolische rol als “reinheid, die over alle onreinheid is gevlijd” met de wolk als “middelaar tussen aarde en hemel”; het hemelse, het aardse en het helse zijn respectievelijk wit, zwart en rood: “Wit zijn de muren, wit de wolken, die voor de zwarte wolken uitdrijven, zwart de boeken en hun woorden, maar rood en brandend is de blik, die uit het hol der duisternis losbreekt, die het Ik steeds verder terugsleept door het geraas van de poort des doods, steeds verder terug in de bijtende koude der duisternis.” (p. 536). De blik vernietigt alle schoonheid (deze vernietigende blik wordt in het verhaal ook belichaamd door de Amerikaanse toeristen op het plein die in hun reisgids lezen dat het gebouw dat ze bekijken mooi is) en terwijl de zon naar het hoogste punt klimt laat ze de wereld achter in een “onverdragelijke naaktheid” terwijl de mussen kwetterend de vrede verstoren; haar wereld stort in, waarna ze zich ervan losrukt en de orde wordt hersteld. Ze loopt “vervuld van trouw” de kerk binnen waar ze “vervuld van een zoete wanhoop” haar gebedenboek openslaat: het lijkt erop te duiden dat ze – zonder het te beseffen – als mens ook het onreine nodig heeft en er zelfs naar verlangt en haar toewijding aan het reine (het hemelse, het geloof) nooit definitief of volledig kan zijn. De titel van het verhaal verwijst naar dit onontkoombaar samenkomen van hemel en aarde (zelfs op weg naar een heilige zondagochtenddienst): “telkens als er zo’n strook voor de zon kwam, dan was er een kortstondige en als het ware heldere verduistering van het daglicht, een soort jeugdige rouw” (p. 528)).
Zowel de stijl als de thematiek – in beide gevallen de poging de mystiek achter de verschijnselen en de begrippen uit te drukken waarvoor zowel het zintuiglijke als het verstandelijke moeten worden overwonnen – zijn bijzonder ‘diep’ of filosofisch en doen denken aan het werk van Robert Musil.