the Cheshire cat
De Vrome Dans las ik voor de eerste keer in 1991. In de jaren daarna was ik helemaal in de ban van Klaus Mann... hé dat rijmt! Ik begon me er zelfs naar te kleden, als iemand uit de roerige jaren twintig: zwart colbert, witte bloes, een strakke scheiding in het haar... Omdat je in die tijd nog geen Google Images had of iets dergelijks, was ik aangewezen op één klein zwartwit-fotootje van 3 bij 4 cm op de achterkant van het boek: Klaus die met een enigszins hautaine doch intelligente blik een sigaret vasthoudt.
De roman heb ik sindsdien niet meer gelezen, bang dat ik de betovering van het boek zou verbreken en de fijne herinnering eraan naar de filistijenen zou helpen. Zoiets als een geweldige vakantie die je járen later overdoet, maar die de tweede keer stukken minder leuk blijkt te zijn. Al gaat deze vergelijking mank, want er is geen wereldreis in de wereld die dit boek op spiritueel vlak voor mij zou kunnen vervangen.
Ik las het boek op mijn achttiende. Mann schrééf het boek op zijn achttiende. Het is niet te bevatten dat iemand zo jong zo'n volwassen en moedig boek, in zo'n rijke taal, uit zijn pen weet te toveren. Mann ontving in die tijd veel lof voor zijn autobiografische relaas, maar er waren ook genoeg recensenten en collegaschrijvers die onder meer het plot te licht bevonden en beweerden dat het succes ervan verband hield met het feit dat hij de zoon is van. Over de homoseksuele excessen in de roman (bleke Paultje met zijn Pierrotgezicht die met een zwarte man het toilet induikt oeh la la) had men al helemaal geen goed woord over. Homoseksualiteit werd gedurende de Weimarrepubliek gezien als een misdaad.
Een opmerkelijke proloog overigens waarin de protagonist Andreas Magnus (Klaus zelf) zich in een hotelkamer bevindt ergens in een zuidelijke stad aan zee. Heeft hij het hier over Cannes, de stad waar hij 25 jaar later een einde aan zijn leven zou maken? Of heeft de locatie verder geen betekenis; Mann was immers op zijn achttiende al eens in een andere Franse stad aan zee geweest, Marseille, tijdens een grote reis in het buitenland in het voorjaar van 1925. Na deze reis begon Klaus aan zijn avontuurlijke jongensboek die hij in de zomer van '25 schreef, nu honderd jaar geleden. Hij bezat een snel schrijftempo en daardoor slopen er nogal eens fouten in zijn romans. Wat hem ook op kritiek kwam te staan. Maar dat waren maar schoonheidsfoutjes: iemand woont op nr. 12 en een paar pagina's later op nr. 14.
Ergens halverwege het boek merkt Fraulein Franziska op dat ze graag Dickens leest. Haar gesprekspartner reageert met dat Dickens inmiddels achterhaald is. Intrigerend, want Mann is in zijn vroege esthetische werken nog duidelijk een erfgenaam van de 19de-eeuwse literatuur, al was hij thematisch gezien zijn tijd natuurlijk al ver vooruit: drugsgebruik, homoseksualiteit, zelfmoord... Het boek heeft in de verte weg van Oliver Twist; Andreas Magnus verlaat zijn ouderlijk huis, moederloos, en reist af naar het bruisende Berlijn waar hij, niet zoals Twist wordt opgenomen in een dievenbende, maar in een bohemienscene.
Valt haast niet in woorden uit te drukken wat ik van het proza van Klaus Mann vind. In de eerste paar bladzijdes herhaalt hij telkens 'de zwarte rozenkrans' en gebruikt hij drie keer het woord 'kinderen'. Klaus Mann heeft ooit gezegd dat hij kinderen en dieren als engelen ziet.
Er gaat een soort zachtheid uit van zijn zinnen, wat de Italianen 'Morbidezza' noemen, maar dan in proza.
Teder, maar ondertussen.....
Geen roman die zo treffend de decadentie en het escapisme van de roaring twenties weergeeft. Het waren hedonistische jaren, er werd ongelofelijk veel uitgegeven, tot de zeepbel barstte en de Grote Depressie kwam.
Hilarisch is het stuk waarin het hele bonte gezelschap richting de kermis trekt: lachspiegels, de shimmy... Dat had van mij wel een paar bladzijdes langer mogen duren. Het eindigt ermee dat ze gezamenlijk in de achtbaan gaan, werkelijk om te gieren, en dan ten slotte dat profetische zinnetje:
Zo voeren ze tesamen ter helle.
Richting het einde, als Andreas in Parijs is, staat er: Achter de glooiende grasvlakte lag een kerk, groot en breed gewelfd, met witte koepels. Zij scheen pas kortgeleden te zijn gebouwd, moskee-achtig rond en weids...
Dit zorgde bij mij even voor een brain-error, want hij heeft het hier uiteraard over de Sacré-Coeur, maar ik dacht altijd dat die kerk veel ouder was, maar hij is dus gebouwd in 1887. Dat de kerk nog zo jong is in een boek met zulke moderne onderwerpen en opvattingen, dat kon ik even niet rijmen met elkaar haha....