Memento mori - gedenk te sterven, dat is het thema van deze brief aan zijn vriend Paulinus, verantwoordelijk voor de graanvooorziening in de stad. Een belangrijke functie, want zonder brood raakt het volk immers in opstand en vervalt alles tot chaos. Het is duidelijk dat Seneca de ijver en trouw van zijn vriend waardeert, maar hij maant hem, nu hij ouder is, het rustiger aan te doen en geen nutteloze baantjes te zoeken waarmee hij zijn tijd verdoet. Een hele reeks voorbeelden somt Seneca op van domheid en tijdverspilling. Maak wat van je leven en richt je op het beste, is zijn advies. Je leven is lang genoeg, maar alleen als je er goed gebruik van maakt. En zo geeft hij zijn oude vriend deze raad:
"Nu zorg jij ervoor dat de graanvoorziening niet te lijden heeft onder fraude of wanbeheer van schippers en dat alles wordt opgeslagen in de voorraadschuren. Dat er daar geen vocht bij komt waardoor alles gaat broeien en bederft. Dat het qua maat en gewicht allemaal klopt.
Maar je kunt je ook bezighouden met heilige, hoogverheven zaken, en dan kom je heel andere dingen te weten. Wat is het wezen van God? Hoe luidt zijn wil, wat is zijn toestand, hoe ziet hij eruit? Wat voor lot staat jouw ziel te wachten? Waar wijst de natuur ons een plaats toe wanneer we uit het lichaam zijn ontslagen? Waardoor precies blijven de zwaarste delen van het universum in het midden zitten en komt wat lichter is daarboven en het vuur bovenaan? Vanwaar die gestage veranderingen van de sterren en al die andere werkelijk wonderbaarlijke fenomenen?"
Het is een interessante tijd waarin Seneca leeft. Er klinkt kritiek op de decadente en brute levenswijze van de keizer en zijn hof, de luxe en het tijdverdrijf om niets. De wijsheid van de Stoa, die Seneca als geen ander bedrijft, is eigenlijk heel modern, gaat uit van de rede en doet een beroep op het gezond verstand, om orde te scheppen in je leven en niet alles te geloven en na te volgen wat een ander doet. De geboorte van het individu. Doe normaal man! is dan de oproep die Seneca hoofdschuddend doet als hij al die opgedirkte onzin om zich heen ziet. De Romeinen konden er wat van. Opvallend is ook dat hij spreekt over God als een opperwezen en daarbij de godenverhalen laat voor wat ze zijn. Het was een mengelmoes van gedachten en filosofieën in die eerste eeuw en Seneca staat daar middenin en zoekt daarin zijn weg. Dat we zijn uitspraken niet zelden als platitudes ervaren, komt ongetwijfeld door het feit dat onze cultuur nog zo volop onder invloed staat van Romeins denken en recht. Meer dan we beseffen hebben we een klassieke bodem onder onze voeten.