Naar aanleiding van het vertalen van het politieke pamflet
Un Occident Kidnappé: Ou la Tragédie de l'Europe Centrale van Milan Kundera herlas ik zijn essay
De Romankunst (eerder verschenen onder de titel
Kunst van de Roman), opgenomen in de vuistdikke bundel
Over de Romankunst. Ik wilde opnieuw ervaren hoe Kundera zijn visie op literatuur verwoordt en merkte dat hij diverse passages vrijwel letterlijk overnam uit zijn politieke pamflet.
Het was een aangenaam weerzien. Jaren na mijn eerste kennismaking met het boek, bezit ik nu zelf meerdere romans die Kundera bespreekt en heb ik er ook een aantal gelezen. Dit verdiept en verrijkt uiteraard het begrip en het leesplezier.
Ik kon het dan ook niet laten enkele citaten te delen waarin Kundera treffend benadrukt wat de roman onderscheidt als literaire vorm — in tegenstelling tot bijvoorbeeld geschiedschrijving, die ik eveneens zeer waardeer.
“Laten we niet vergeten wat een roman is. Een historicus vertelt over wat daadwerkelijk is gebeurd. De misdaad van Raskolnikov is echter nooit gepleegd. De roman onderzoekt niet de werkelijkheid, maar het bestaan. En het bestaan is niet wat er is voorgevallen, maar het volledige spectrum van menselijke mogelijkheden: alles wat een mens kan worden, alles waartoe hij in staat is. Romanschrijvers tekenen de kaart van het bestaan door bepaalde menselijke mogelijkheden te verkennen. Bestaan betekent ‘in-de-wereld-zijn’. We moeten dus zowel het personage als zijn wereld zien als mogelijkheden.”
Een terugkerend thema in Kundera’s werk is zijn bewondering voor Franz Kafka.
“Bij Kafka is dit glashelder: de kafkaëske wereld vertoont geen enkele gelijkenis met onze bekende werkelijkheid; het is een uiterste, nog ongerealiseerde mogelijkheid van de menselijke wereld. Deze mogelijkheid schijnt door onze dagelijkse werkelijkheid heen en lijkt onze toekomst aan te kondigen. Vandaar de term ‘Kafka’s profetische dimensie’. Maar zelfs als zijn romans niets profetisch zouden bevatten, verliezen ze niet hun waarde, want ze vatten een mogelijke vorm van bestaan en tonen ons daardoor wie we zijn en waartoe we in staat zijn.” (p. 41-42)
Interessant is dat Kafka, anders dan veel van zijn Praagse tijdgenoten zoals Max Brod, Franz Werfel en Egon Erwin Kisch, geen blijk gaf van politieke belangstelling. Terwijl deze avant-gardisten meenden de loop van de geschiedenis te kunnen voorspellen en de toekomst te schetsen, concentreerde Kafka zich op zijn eigen leven en kunst.
“Waarom wordt juist zijn eenzame, introverte werk tegenwoordig opgevat als een sociaal-politieke profetie, en om die reden in vele delen van de wereld zelfs verboden? Dit ondanks het feit dat hij zich afzijdig hield van politieke betrokkenheid.” (p. 84-85)
Over Europa merkt Kundera op dat de Europese eenheid in de middeleeuwen berustte op een gemeenschappelijke godsdienst. In de moderne tijd nam de cultuur — kunst, literatuur en filosofie — deze rol over en vormde het de belichaming van de hoogste waarden waarmee Europeanen zichzelf herkenden en definieerden.
“Tegenwoordig lijkt de cultuur haar plaats echter weer af te staan. Maar aan wat? Aan technologie? De markt? De politiek met haar democratisch ideaal en het principe van tolerantie? En als die tolerantie geen ruimte meer biedt aan creativiteit en krachtig denken, wordt ze dan niet leeg en betekenisloos? Of moeten we het verdwijnen van de cultuur juist zien als een bevrijding die we vol euforie moeten omarmen? Ik weet het niet. Wel weet ik dat cultuur haar centrale plek al heeft verloren, waardoor het beeld van de Europese identiteit zich steeds meer in het verleden terugtrekt. Een Europeaan is tegenwoordig vooral iemand die heimwee heeft naar Europa.” (p. 96)
Inhoudsopgave:
1. De verguisde erfenis van Cervantes
2. Gesprek over de romankunst
3. Aantekeningen geïnspireerd door Die Schlafwandler
4. Gesprek over de compositiekunst
5. Ergens daarachter
6. Tweeënzestig woorden
7. Jeruzalemrede: de roman en Europa