Ik had Charles Dickens tot nog toe vermeden wegens de vrees voor te episodische en melodramatische verhaallijnen. Dat de makers van tv-serie The Wire inspiratie haalden bij de schrijver, maakte me toch nieuwsgierig. En inderdaad, de gelaagdheid waarmee hedendaags Baltimore met al zijn milieus en in elkaar grijpende structuren belicht wordt in The Wire, vind je voor het Victoriaanse Londen haast net zo terug in een serieroman als Bleak House.
In zo’n 1.000 pagina’s komt het Londense leven in de volle breedte voorbij, middels tientallen personages, die allemaal op een of andere manier wel weer in verbinding staan tot elkaar. Centraal staan een verhaallijn rond een al jaren voortslepende rechtszaak en een verhaallijn rond een arme wees die door een rijke voogd in bescherming wordt genomen. Van straatvegertje Jo tot stijve adel Sir Leicester komen de personages uit alle denkbare milieus, en zijn die in Bleak House nauw met elkaar verweven. Minstens zoveel aandacht besteedt Dickens aan de beschrijvingen van plaatsen, zodat tezamen een weids panorama ontstaat van het Londen zoals Dickens dat zag.
Die beschrijvingen overtuigen nog het meest, helemaal in het briljante eerste hoofdstuk, waarin Dickens zeer beeldend Londen introduceert als een gore stad van modderpoelen, mist en as:
“Smoke lowering down from chimney-pots, making a soft black drizzle, with flakes of soot in it as big as fullgrown snow-flakes – gone into mourning, one might imagine, for the death of the sun.”
Waarbij hij de beschrijving maar direct in zelfde lijn doortrekt naar die van het gerechtshof, in mistigheid de stad overtreffend. Het derde persoonsnaratief wordt (helaas) afgewisseld met dat van Esther Summerson, die een braaf tegenwicht vormt voor de intriges waar menig personage aan verbonden is. Haar perspectief is minder bloemrijk, minder duister, minder… interessant. Ik kan dus nog niet voluit enthousiast zijn over mijn kennismaking met Dickens, maar Bleak House is een roman van grote ambitie die absoluut bewondering afdwingt.