In Gestameld liedboek. Moedergetijden verzamelt Erwin Mortier herinneringen aan zijn jeugd en zijn moeder, maar staat vooral centraal de ziekte van Alzheimer, die laatstgenoemde steeds steviger in zijn greep houdt. Gevrijwaard van een strikt narratief volgen we Mortier langs de wederwaardigheden van het slepende traject dat de ziekte veroorzaakt en de herinneringen en associaties die het bij de schrijver oproept. Het resultaat is een krachtige elegie, met een fijnzinnig en vooral warm gevoel voor taal geschreven. Het is echter diezelfde taalgevoeligheid waarmee Mortier zijn klaagzang dermate rijkelijk van metaforen voorziet, dat haar momentum bijtijds onder die praalzucht dreigt te bezwijken.
Op de episodische opbouw valt weinig aan te merken. Mortier permitteert zich een losse, gefragmenteerde vertelwijze, waarmee hij laat zien zijn verdriet niet opportunistisch in een gecomponeerd verhaal te willen gieten, maar het eerder uit noodzaak van zich af moet schrijven. Bovendien is Gestameld liedboek. Moedergetijden daardoor in vorm een constellatie geworden van gekrabbelde notities, pijnlijke of gekoesterde momenten, realisaties en herinneringen, en toont het daarmee een waardevolle gelijkenis met het karakter van zijn moeder. Haar aftakeling slaat steeds grotere gaten in de persoon die zij ooit was, tot ze slechts nog bestaat uit scherven van herinneringen en sporen van gewoonten, slechts - op pijnlijke wijze - leesbaar voor de familieleden die haar nog kennen zoals ze vroeger was.
Juist omdat Mortier zijn verhaalvorm voor de lezer puur en onopgesmukt aanvoelt, is het zijn haast ostentatieve gebruik van metaforen dat na verloop van tijd begint te wringen. De meedogenloze manier waarop de afschuwelijke ziekte huishoudt in het essentiële wezen van de mens, spreekt tot de verbeelding maar na de zoveelste vergelijking met een instortend pakhuis of scheurende zak knikkers, begint het ten koste te gaan van de inleving. Mortier is een taalvirtuoos, zoveel is duidelijk; het is de dosering die de roman soms parten speelt. In tegenstelling tot de overeenkomsten die de vorm oproept, lijkt Mortier stilistisch het contrast belangrijker te vinden.
Het staat de meeslependheid van de roman allerminst in de weg, daarvoor is Mortier te veel een vakman en is bovendien de ziekte te gruwelijk. De inkijk die Mortier ons gunt is persoonlijk, je ervaart als lezer zowel de aftakeling als het verdriet van dichtbij en dat is genoeg om over de lengte te blijven boeien, fascineren en ontroeren. De enige afstand die door de schrijver ingebouwd wordt, komt voort uit de vernislaag die hij zo veel van zijn woorden -ten onrechte - mee denkt te moeten geven.
Solide 3,5*