Eigenlijk houd ik niet zo van reisverhalen, daarvoor vind ik reizen te leuk. Maar nu dat er even niet inzit is het best een alternatief; wegdromen bij de verslagen van bestemmingen die voor ons nu onbegaanbaar gebied zijn. Moeder aller reisverhalen is misschien wel Darwins verslag van zijn wereldreis met de Beagle. In vijf jaar tijd reisde hij langs de kusten van het Zuidelijk halfrond, in het bijzonder die van Zuid-Amerika. De reis vormde zijn denken, leidend tot de evolutieleer. Diepgaande analyses blijven in De Reis van de Beagle goeddeels achterwege. Het is vooral een verzameling observaties van een nieuwsgierige wetenschapper die evengoed erkent dat hij veel van wat hij ziet niet begrijpt. Een breed geïnteresseerde wetenschapper ook, die niet alleen over de natuur schrijft, maar ook over de culturen die hij tegenkomt. Wel met een 19e eeuwse bril, waarbij trots op de ‘beschaving’ die Engelsen in de wereld brengen niet onder stoelen of banken wordt gestoken. Toch is hij regelmatig ook realistisch over de schaduwkanten:
“Overal waar de Europeaan verschijnt, lijkt de inheemse door de dood te worden achtervolgd.”
“Het was treurig om de knappe, energieke inheemsen in Nieuw-Zeeland te horen zeggen dat ze wisten dat hun land gedoemd was uit de handen van hun kinderen te worden weggenomen.”
Wat dat betreft leest het helaas ook als een reisverslag door een deels verloren gegane wereld.
De passages over de natuur zijn niet altijd even genietbaar. Als geoloog heeft Darwin speciale belangstelling voor wat ik oneerbiedig maar even rotsen en stenen noem. Lange passages over het effect van verzakkingsbewegingen op koraalformaties, dat zal voor velen te specialistisch zijn. Toch maakt hij zelfs dit soort onderwerpen aanschouwelijk door bijv. te speculeren over hoe een steen terecht kan zijn gekomen op een volslagen afgelegen, steenloos eiland. Darwin is een vlotte schrijver die nooit te zakelijk of wetenschappelijk wordt, maar ook het literaire ruimte laat:
“De zonsondergang na een mooie dag werpt meestal een glans van tevredenheid over elk landschap; hier echter, op deze afgelegen boerderij, konden zelfs de helderste kleuren in de omringende bossen me niet doen vergeten dat veertig verstokte, zedeloze mannen hun dagwerk staakten, net als de slaven uit Afrika, maar zonder hun rechtmatige aanspraak op medelijden.”