Dit boek (evenals De Woestijn van de Tartaren van Buzatti (
1)) is geïnspireerd door Waiting for the Barbarians van C.P. Cavfafy. (
2) Dat gedicht heeft een intrigerend thema: een samenleving die haar waarden overboord gooit, omwille van de ‘barbaren’. Barbaren die er wellicht niet eens zijn. Het enige wat mij niet aanstaat aan het gedicht, zijn de twee laatste zinnen; die rammen het thema er vakkundig in.
Eenzelfde kritiek richt ik tegen dit boek van Coetzee. Ook hier is de thematiek interessant. Door de ogen van een weifelende magistraat aanschouwen we het ‘beschaafde’ rijk dat onbeschofte martelingen uitvoert, omdat ze zich bedreigd voelen door vijandige barbaren. De inheemse bevolking wordt hierbij lukraak aangemerkt als barbaar. Daarnaast benadrukt Coetzee dat de ruige natuur slecht wordt begrepen door de ‘beschaafden’. Het rijk oogt zo als een parasiet die uiteindelijk zal worden uitgebannen. De vergelijking met (de kritiek op de) militaire aanwezigheid van het westen is natuurlijk snel gemaakt. Alleen is die kritiek hier niet echt bijtend, omdat het rijk overdreven kwaadaardig is. Iets wat keer, op keer, op keer wordt benadrukt. Het boek is hierdoor monotoon, hetgeen samen met de priegelige schrijfstijl van Coetzee resulteert in een vermoeiende leeservaring. “Ja, nou weet ik het wel” flitste in ieder geval meermaals door mijn hoofd.
Echt ergerlijk is het boek echter ook weer niet en een paar sterke scénes redden deze novelle van een onvoldoende. Met meer nuance en ademruimte was het verhaal indrukwekkender geweest. Of ik Coetzee echt een aansprekende schrijver vind, is na dit boek nog een groot vraagteken voor mij.