Sommige schrijvers laten zich niet alleen lezen, maar ook bewandelen. Met dat idee trok ik op zondag 12 april naar Antwerpen voor een stadswandeling in het teken van Willem Elsschot (Alfons De Ridder), met als leidraad zijn verhaal Het Dwaallicht (1946).
Tijdens de wandeling passeerden we onder meer het grote standbeeld van de schrijver aan de Lange Gasthuisstraat; opmerkelijk genoeg aangekocht door de naastgelegen handelsschool, wat de vraag oproept of het de stad zelf aan publieke middelen ontbrak om haar literaire held te eren. Verder kwamen we langs De Keyserlei 25, waar ooit zijn geboortehuis stond; de bakkerij van toen heeft inmiddels plaatsgemaakt voor een weinig inspirerende vestiging van Kruidvat. Ook het Letterenhuis, het literaire museum van Antwerpen waar onder meer het Elsschot-archief wordt bewaard en tentoongesteld, stond op het programma, al bleek het, om onduidelijke redenen, in het weekend gesloten. De wandeling eindigde in het stamcafé Quinten Matsijs, om de hoek van het beeldschone en serene Hendrik Conscienceplein, waar de dag voldaan werd afgesloten met een pint.
Ter voorbereiding las ik de biografie van Vic van de Reijt over Elsschot. Het betreft een bijzonder mooi verzorgde, gebonden uitgave, waaraan weinig valt af te dingen en die ik dan ook met grote interesse heb gelezen. Vooral de beknopte schets van de jonge Belgische staat na de afscheiding van het Koninkrijk der Nederlanden was verhelderend. De economische opbloei ging gepaard met een ingrijpende verandering van Brussel, dat van een bescheiden provinciestad uitgroeide tot hoofdstad. Waar aanvankelijk nog overwegend Vlaams werd gesproken, werd de stad al snel gedomineerd door Franstalige ambtenaren - de taal van de macht - een ontwikkeling die ook bij Elsschot herhaaldelijk tot frustratie leidde.
Het leven van Elsschot laat zich grotendeels lezen als een succesverhaal. Een bakkerszoon die als jonge, onbezonnen student zijn jeugdliefde zwanger maakte en daarmee zijn familie in verlegenheid bracht, maar zich wist te herpakken. Hij volgde een opleiding aan een Franstalige handelsschool, behaalde de titel van licenciaat in de Handels- en Consulaire Wetenschappen en ontwikkelde zich tot een polyglot, met een goede beheersing van het Nederlands, Frans, Duits en Spaans. Vervolgens maakte hij carrière in Parijs, Rotterdam en Brussel, om uiteindelijk naar Antwerpen terug te keren. Het was in Rotterdam dat hij, aangemoedigd door zijn collega Anna Christina van der Tak, zijn vaak dolkomische ervaringen aan het papier begon toe te vertrouwen. Dat leidde tot zijn debuut Villa des Roses (1913), evenals tot zijn vroege gedichten.
Een aanzienlijk deel van de biografie wordt in beslag genomen door de zakelijke levenswandel van Elsschot, die door Van de Reijt minutieus is gereconstrueerd en gedocumenteerd. Daaruit rijst het beeld op van een gewiekste zakenman, die het spel behendig wist te spelen wanneer het om commerciële belangen ging en bovendien opmerkelijke veerkracht toonde toen hij tot tweemaal toe zijn onderneming zag instorten als gevolg van de wereldoorlogen. Zo schuwde hij het niet om tijdens de Tweede Wereldoorlog de Duitse bezetter een factuur te sturen voor de inbeslagname van zijn uithangborden op Belgische stations, die vervolgens voor propagandadoeleinden werden gebruikt.
Dat alles is op zichzelf bewonderenswaardig, maar niet per se het meest intrigerende deel van het boek. Succesvolle zakenlieden als Alfons De Ridder zullen er immers meer zijn geweest. Wat zijn levensloop werkelijk bijzonder maakt, is juist de combinatie met zijn schrijverschap, dat hij naast zijn drukke carrière uitoefende en waarmee het onmiskenbaar in wisselwerking stond. De onderkoelde, zakelijke stijl van zijn proza, waarin geen woord te veel wordt gezegd, weet tegelijkertijd een sluimerende emotie op te roepen van vertwijfeling, frustratie en schaamte. Juist die spanning maakt hem tot een zo unieke schrijver.
Die reputatie leverde hem ook in Nederland veel bewonderaars op, met wie hij bevriend raakte, onder anderen Jan Greshoff en Menno ter Braak (en later ook Simon Carmiggelt). Zij speelden een rol in het opnieuw onder de aandacht brengen van zijn werk en moedigden hem na Lijmen (1924) aan om, na een lange periode van stilte, de pen weer op te nemen. Dat leidde uiteindelijk tot het meesterwerk Kaas (1933).
Als lezer intrigeerde mij die Nederlandse invloed en stelde ik mij, enigszins chauvinistisch, de vraag of juist die inbreng ertoe heeft bijgedragen dat Elsschot een vaste plaats heeft gekregen binnen de canon van de Nederlandstalige literatuur, en wellicht zelfs is behoed voor de vergetelheid. In hoeverre wordt hij daardoor eerder als “een van ons” beschouwd, mogelijk tot lichte ergernis van zijn Belgische bewonderaars? Die culturele spanning maakt hem als schrijver des te interessanter. Tegelijk blijft het natuurlijk het voornaamste om zijn werk zelf ter hand te nemen en hem te waarderen om wat hij op papier heeft gezet, want uiteindelijk is het niet de biograaf, noch de stad, maar de lezer die beslist of een schrijver blijft voortbestaan.