Bij het verschijnen van dit werk in Franse kranten in de loop van 1866 tot en met 1869, gevolgd door de publicatie in boekvorm eind 1869, moest Alphonse Daudet eerst concurreren met in die tijd gevestigde namen als Victor Hugo, Alexandre Dumas en Émile Zola.
Daardoor bleef zijn eigen werk eerst wat onopgemerkt. Pas later is het, door zijn vertelkunst, deel uit gaan maken van de Franse nationale folklore.
Daudet heeft in de Zuid-Franse gemeente Fontvieille wel bij familie in een kasteeltje gewoond, maar zou nooit een eigen molen hebben bewoond - een duidelijke wens van hem.
Desondanks begint deze verzameling aantrekkelijke losse schetsen, indrukken en anekdotes met de overdracht, bij notaris Honorat Grapazi in het schone plaatsje Pampérigouste, van een molen aan Alphonse Daudet. Een molen vrij van hypotheek, maar ook zonder het recht de vorige eigenaar lastig te vallen met zaken als achterstallig onderhoud... ...
Bij aankomst blijkt de molen bevolkt door een grote groep konijnen, die er in galop vandoor gaan. Op de bovenste etage heeft een uil, met het gezicht van een denker, zich gehuisvest, zodat Daudet zijn intrek op de benedenetage neemt. Vandaar uit, met de grote deur open en in het volle zonlicht, richt hij zich in briefvorm rechtstreeks tot de lezer.
Een gevarieerde reeks onderwerpen komt daarbij naar voren, waarbij vooral het ruwe, lawaaierige stadsleven van Parijs tegenover de natuur en bevolking van Zuid Frankrijk wordt geplaatst. In het voordeel van de laatsten, uiteraard. Die onderwerpen worden rijk en levendig beschreven, op een manier waarop je wordt meegetrokken in de fantasiestroom van de schrijver, en met een licht bittere humor. Ondanks die fantasiestroom, lijkt vooral sprake te zijn van min of meer gewone personen en gebeurtenissen. Prettig voor de liefhebbers is, dat er verder ook aandacht is voor Zuid-Franse folklore.
Hoewel Daudet deel uitmaakte van het Félibrige-literaire genootschap, dat het gebruik van het Zuid-Franse Occitaans als taal wilde aanmoedigen, is zijn boek grotendeels in 'gangbaar algemeen' Frans geschreven. Daarmee maakte hij het ook toegankelijk voor de inwoners van andere delen van Frankrijk. Bijzondere Franse woorden, persoonsnamen en woordspelingen daarmee en toespelingen daarop worden, tenminste in de Franse Folio-editie die ik hier heb, in voetnoten verklaard. Daarmee blijft een aansluiting, met de Zuid-Franse cultuur, bewaard. Dat aspect is interessant, soms humoristisch, maar zal er in de Nederlandse vertaling helaas vermoedelijk grotendeels tussenuit zijn gevallen.
De losse opbouw van het geheel zal misschien niet iedereen bevallen, maar was voor mij geen probleem.