Krabben krioelen waar haar haren waren,
Aren leest zij als een vrouw zonder huid
(Ik ben niet meer dan de vrucht zonder tanden
Van de tijd die het lam nodig had
Om bloedend als een hagedis te ontwaken,
Een keizer, begraven onder de kiemen van het licht.)
Ontgroeid ben ik de verschroeide velden,
Tergend zoekt mijn zaad een weg.
Luister niet. Barend treft de brandende maagd haar doel.
Dit gedicht zal je niet in deze bundel terugvinden. Dat komt omdat ik het zelf geschreven heb.
Klets wat willekeurige associaties bij elkaar, zorg ervoor dat het metrum strak zit en oh ja: vergeet de hoogdravende, gezwollen stijl én de parallellen met menselijke en dierlijke seksualiteit en de vruchtbaarheid van het land niet: op die manier kan je je eigen Oostakkerse gedicht maken.
Nergens in deze bundel vang je ook maar een glimp op van gevoel of herkenning, het is allemaal zo afstandelijk, alsof Claus een machine had gebouwd die zijn gedichten uitbraakte. Natuurlijk worden in het nawoord alle verwijzingen naar onder andere de Bijbel en mythologische verhalen uitgelegd en moet dat voldoende bewijs zijn voor de genialiteit van halfgod Claus.
Spijtig, maar de man achter Envoi, één van de beste gedichten die ik ken, laat me hier op mijn gigantische honger achter met een bundel die wel een mooi thematisch geheel vormt, maar inhoudelijk een holle, doodse woordenbrij is.