Als je eenmaal het imposante uitzicht vanaf de top van een berg hebt gezien lijkt alles wat je daarna, tijdens het afdalen ziet, slechts in de schaduw te staan van het eerdere hoogtepunt. Natuurlijk, er zijn nog momenten waarop je iets van de grootsheid van het landschap terugziet, maar het is niet zoals het ooit is geweest en ook al blijf je hopen op een nieuwe apotheose, ergens weet je al dat je je verwachtingen moet bijstellen. Zo voelde het lezen van dit boek van Yates een beetje. Ik heb Revolutionary Road eerder gelezen en na de splendeur van dat prachtstuk valt dit boek een beetje in het niet.
Maar toch, toch kon ik zo af en toe zien waarom ik het oeuvre van Yates verder wil uitspitten. In het begin, de eerste drie hoofdstukken, twijfelde ik daarover. Waar was die grootse stijl gebleven? Waar was die afgemeten precisie, dat magnifieke doorgronden van het hoofdpersonages? In het tweede hoofdstuk belandt de protagonist opeens in een kliniek om van zijn drankverslaving af te komen, ontmoet hij uiteenlopende figuren die niets met het verhaal te maken hadden. Yates lijkt van de hak op de tak te springen, lijkt opeens geen idee te hebben waar hij met zijn hoofdpersonage naar toe moet gaan.
Bij het nawoord wordt veel duidelijk. Dit boek zou het meest autobiografische boek van Yates zijn. Het is Yates zelf die de draad kwijt was, die zijn eeuwige strijd met de alcohol aan het verliezen was. Opeens is duidelijk waarom de stijl niet meer zo belangrijk was, komt het drama voor de schrijver zo dichtbij dat het verhaal niet meer het belangrijkste is, maar vooral het schrijven daarover.
Ergens, richting het einde van het boek, verschijnen er opeens meerdere lagen. John C. Wilder, het hoofdpersonage, is bezig met het maken van een film over zijn belevenissen in de kliniek. Niet alleen wordt opeens het belang van het tweede hoofdstuk duidelijk, het geeft Yates vooral de ruimte om van een afstand dit boek aan de lezer uit te leggen en om zichzelf van een afstandje te bekijken. ‘Een goede schrijver zou de man een gezicht kunnen geven’, schrijft Yates, ‘iemand van vlees en bloed van hem maken, met problemen die alleen hij heeft’. Juist hier is Yates niet helemaal in geslaagd. Waar hij elders volledig weet door te dringen tot de persoon waarover hij schrijft, lijkt hij bij zichzelf iets meer aan de oppervlakte te blijven hangen. Iets verderop in het boek geeft Yates via John C. Wilder en zijn script wel aan wat de bedoeling was: duidelijk maken dat ‘het zaad van de vernietiging (..) vanaf het begin af aan in de man aanwezig (is)’. Bam! Yates zag zijn eigen einde naderen. Hij was de worsteling met zijn eigen verslaving aan het verliezen. Nu, in de tijd van true crime, van openheid en reflectie is het steeds meer in om je eigen verhaal uit de eerste persoon te vertellen. Yates gebruikt hier John C. Wilder voor en creëert daarmee een veilige afstand voor zichzelf, maar daardoor ook tot de lezer.
Ben ik dan erg teleurgesteld als lezer? Nee, concludeer ik nu. Dat valt toch reuze mee. Zo af en toe zag kwam er een vleugje van de onnavolgbare stijl van Yates naar voren. Zo af en toe werd de afstand tot de lezer kleiner en Yates een sprankje van zijn meesterschap zien. Als je de televisieserie Mad Men hebt gezien is het alsof je de serie in je gedachtes herbekijkt tijdens het lezen van het boek. Eind jaren zestig, Nixon en Kennedy. Het geeft een mooi tijdsbeeld.
Al met al heeft hij dit boek gewoon moeten schrijven, zo lijkt het. Daarmee blijft het boek gemakkelijk overeind en blijft het de moeite van het lezen waard, maar het zal altijd in de schaduw blijven staan van dat ene meesterwerk.
Is dit het dan? Is dit het laatste boek dat ik van Yates lees? Nee, er staan nog een aantal heel interessante boeken van Yates geduldig op me te wachten in mijn boekenkast en in donkere, stoffige magazijnen van de bibliotheek.