Erg leuk boek van Annie M.G. Schmidt. Dit is het enige boek waar Schmidt een Gouden Griffel voor ontving. Voor
Minoes en
Pluk van de Petteflet ontving ze een Zilveren Griffel. Deze drie boeken komen wel overeen met mijn drie favoriete boeken van deze schrijfster. Of ik
Otje het beste van de drie vind, weet ik niet. Wat het boek erg goed maakt, is de maatschappelijke kritiek, die in dit boek duidelijker aanwezig is dan in
Pluk en
Minoes.
In dit boek zijn Tos en Otje de twee outcasts die nergens plaats kunnen vinden. Ze doen geen mens kwaad, maar mogen nergens verblijven, ze blijven op de vlucht. Dit thema vind ik erg sterk uitgewerkt.
Een grappig verschil tussen de -in mijn herinnering vrij matige-
serie en dit boek, is dat in de serie Tos sceptisch is tegenover Otje's gave dat ze met dieren kan praten. In dit boek wordt hier nergens moeilijk over gedaan. Of andere mensen ook met dieren kunnen praten, wordt verder ook niet duidelijk. Otje kan het in ieder geval en doet dit regelmatig. Gelukkig maar, want als er een soort van onenigheid tussen Tos en Otje was geweest, was hun vriendschap verstoord, en dat zou jammer zijn, want ook dat is een aspect wat dit boek voor mij een fantastisch boek maakt.
De passage waarin Tos op het schip van de Admiraal gaat werken,
is zo mooi,
omdat in die passage de liefde tussen de vader en dochter zo mooi tot uiting komt. Als Tos ook in het boek niet in Otje's gave zou geloven, zou dit ten koste gaan van hun onvoorwaardelijke vriendschap, ben ik bang.
Aan het einde komt alles,
en dan ook echt alles goed.
Alles wat ook maar een heel klein beetje onbevredigend afgesloten werd,
wordt aan het einde volledig gladgetrokken.
Een beetje zoetsappig,
maar erg creatief.
De maatschappelijke kritiek, de vriendschap tussen Tos en Otje, de humor maken dit boek een ontzettend leuk boek.