De op 24 oktober 1943 geboren Van Rossem is bijzonder hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit Utrecht en deskundige op het gebied van de Amerikaanse geschiedenis en politiek. Zijn boek 'Amerika - voor en tegen' is een verzameling van meer dan vijftig van zijn essays. Het werk kent zes hoofdstukken, waarvan vooral de columns over Amerikaanse politici indruk op mij maakten. In heldere taal analyseert hij het wel en wee van onder meer Dwight Eisenhower.
Oorlogsveteraan Eisenhower was president in de periode 1953 - 1961. Hij was mateloos populair onder de doorsnee Amerikaanse burger en zou ongetwijfeld een derde keer gekozen zijn als dat mogelijk was geweest. Dat had hij allemaal te danken aan zijn acteertalent. Hij was altijd en overal vriendelijk tegen iedereen. Hij wekte de indruk niet al te hard te werken door bijvoorbeeld te beweren dat hij nooit kranten las en tijdens persconferenties gaf hij vage antwoorden of zei hij niet goed op de hoogte te zijn van de betreffende zaak. In werkelijkheid begon hij iedere werkdag met langdurige studie van elke belangrijke ochtendkrant en was hij de grote architect van het beleid waar hij zo weinig van leek te weten tijdens persconferenties. Dat hij zich zo uit den domme deed legde hem bepaald geen windeieren. Veel kiezers roemden zijn menselijkheid, integriteit en vriendelijkheid. Hij was voor hen het perfecte staatshoofd.
Toch was Eisenhower niet enkel een voortreffelijk staafshoofd. Hij functioneerde namelijk ook naar behoren als regeringsleider. Zo heeft hij een heel hiërarchisch geordend bureaucratisch apparaat gecreëerd. Deze presidentiële bureaucratie bestaat uit het kabinet, de zogeheten National Security Council (NSC) en de persoonlijke staf van de president. Eisenhower liet de acht jaar dat hij regeerde 272 keer een kabinetsvergadering plaatsvinden en nog eens 366 keer een vergadering van de NSC. Dat is bijzonder vaak. De vergaderingen waren bovendien buitengewoon formeel van aard. Er werd bijvoorbeeld een kabinetssecretariaat aangesteld dat de agenda opstelde en dat zich bezighield met de controle van recent aangenomen voorstellen. Eisenhower nam actief deel aan al deze vergaderingen, waarbij hij - in tegenstelling tot de persconferenties waar hij zo vaag en verward overkwam - helder, scherp en analytisch redeneerde. Dit alles leidde tot een kabinet dat zich serieus genomen voelde, wat in het verleden nogal eens anders was geweest. Waren er voorheen regelmatig ruzies en informatielekkages, Eisenhower kon rekenen op de steun van zijn ministers.
Ook de staf van het Witte Huis werd onder leiding van Eisenhower een grondige gereorganiseerd. Ieder staflid wist precies wat zijn of haar verantwoordelijkheden waren en voor belangrijke functies werden mensen aangesteld die qua competentie en status de gelijke waren van ministers. Vooral de stafchef speelde een grote rol. Die had uitgebreide volmachten en mocht zelf, buiten de president om, kleinere binnenlandse zaken regelen. Hoewel het toch echt Eisenhower was die het beleid bepaalde, en de stafchef slechts verantwoordelijk was voor details, beschuldigde de media Eisenhower van nalatigheid. Niet Eisenhower, maar diens stafchef zou de functie van president uitoefenen. Ook Eisenhowers fanatieke deelname aan de besproken vergaderingen kon dat beeld niet veranderen. Die vergaderingen werden immers niet voor het oog van de camera gevoerd. De indruk ontstond dat Eisenhower alles liet regelen door zijn ondergeschikten en zelf weinig uitvoerde. En hoe paradoxaal het ook mag klinken, juist op die manier is hij zo populair kunnen worden.
De rest van het boek is evenzeer de moeite waard. Van Rossem zwemt zelden met de stroom mee en dat leidt tot een aantal prikkelende inzichten. Daags na de terroristische aanvallen van 11 september 2001 schrijft hij bijvoorbeeld dat terrorisme geen enkele bedreiging vormt voor de veiligheid van het land. Terrorisme is het wapen van de machtelozen en omhelst niet meer dan een onverwachte aanval op een onverwachte plaats. Terrorisme wordt uitgeoefend door een kleine minderheid en mag niet gelijk gesteld worden aan de militaire campagne van een volwaardig land. Van Rossems opvatting staat daarmee in schril contrast met de daden van Bush, die in alles uitstralen dat één aanslag wèl een bedreiging vormt.
Al met al een boek dat absoluut de moeite waard is, ook dankzij de aangenaam ironische schrijfstijl van Van Rossem.