In een nawoord van Gerard Rasch in de Kaneelwinkels & Sanatorium Clepsydra van Bruno Schulz las ik het volgende:
Met het vertrek van (Witold) Gombrowicz naar Argentinië en de zelfmoord van (Stanislaw Ignacy) Witkiewicz in 1939 en de dood van (Bruno) Schulz in 1942 had Polen in de oorlog zijn drie belangrijkste prozaïsten verloren.
Ik herinnerde me dat ik dit boek van Witkiewicz allang al had aangeschaft nadat ik had gelezen dat Wouter Kusters zijn naam naast die van mijn favoriete schrijver Mircea Cartarescu plaatste in een
artikeltje. Een gouden tip voor wie echt waanzinnige én serieuze kolder wil, noemde hij dit boek. En geplaatst naast Cartarescu en die andere waanzinnige schrijvers die hierboven staan gemeld, moest dit dus wel goed zijn. En als ik zeg dat dit het meest waanzinnige boek is dat ik dit jaar las, dan is dat zeker niets verkeerds gezegd.
Hoe dit boek aan te prijzen? Eigenlijk is het verschrikkelijke literatuur. Van de ruim 550 bladzijden las ik er misschien 50 zonder te moeten stoppen of terug te moeten keren naar een eerder punt. Elke zin straalt waanzin uit, zowel in de inhoud als in de vorm. Het gaat over een hoofdpersoon die ontwaakt uit zijn pubertijd op zoek naar ware grootse betekenis in het leven en daarin langzaam afglijdt naar de waanzin binnen een maatschappij die onder leiding van de laatste echte individualist overgenomen dreigt te worden door de Wandelende Gele Muur (a.k.a. de Chinezen) die streven naar een volledig geautomatiseerde samenleving waarin geen ruimte meer is voor het individu, verwoord in onmogelijke zinnen met onmogelijke woorden waarover live commentaar wordt gegeven door de auteur zelf, gedachtes die niet worden afgemaakt, en groteske beeldspraak die louter de nutteloosheid van het leven ademt. Daar valt deze voorgaande lelijke zin bij in het niets. Weet je? Ik zou dit gewoon niet gaan lezen. Maar toch. Als je jezelf net als de hoofdpersoon ergens in wilt verliezen, lees dan dit. In opperste concentratie, en als je het niet begrijpt, leest het dan nog een keer, want niet begrijpen zal omslaan in verwondering. “Hoe doet hij het?” vroeg ik me tientallen keren af, want mensen, dit is echt goed. Ik heb er voor het eerst (?) een potlood bij gepakt om zinnen te gaan onderstrepen. En tegelijkertijd blijft het lelijke literatuur die schijt heeft aan de regels en aan de lezer. Het moet je aanspreken.
Die openlijke overeenstemming, dat schaamteloze ‘laten we lief zijn voor mekaar’ en dat zogenaamde ‘schouder aan schouder’ waarin een verstilt tandengeknars te horen was van sluimerende haat; dat wederzijdse complimenteren totdat je erbij neervalt, dat de dekmantel is voor afgunst met hatelijkheden van een tot nu toe ongekende hevigheid; die hitsige leugen waarin mensen zich met tranen in de ogen wentelden, als honden in hun uitwerpselen, dat alles was in een woord verschrikkelijk.
De schoonheid van het bestaan, de compositionele volmaaktheid in de proportie van alle elementen en de pracht van het onontkoombare einde, dat alles schitterde voor haar in een oogverblindende, innerlijke glans die als een nachtelijke bliksemschicht het verre, sombere landschap van de herfst van het leven, bezaaid met ruïnes en verlaten graven, verlichtte.
Mij spreekt het wel aan.