Italo Calvino maakt zijn reputatie als vertellende filosoof (of beter gezegd als filosoferende verteller) helemaal waar met dit mooie sprookje, dat op het eerste zicht een vreemd hersenspinsel lijkt te zijn, maar al snel uitgroeit tot een mooie parabel over het bestaan en het zich willen verwezenlijken in al zijn vormen. Een ridder die niet bestaat, maar wel de volmaakte ridder kan zijn; een schildknaap die weliswaar bestaat, maar in de verste verte niet weet wat hij is of wil zijn en daardoor alles tegelijk is; een jongeling die goed weet wat hij wil zijn, maar voortdurend struikelt op de weg ernaartoe; een vrouw die op zoek is naar het onbestaande, namelijk de perfecte geliefde; een groep ridders die proberen zo van een idee bezeten te worden dat ze hun aardse bestaan kunnen achterlaten, maar in hun queeste zich aardser gedragen dan maar kan zijn; een groep boeren die zich het liefst van al dat gedoe over zijn en niet zijn niets aantrekt en gewoon wil doorgaan met leven.
Als je het zo opsomt, verbaast het bijna dat hieruit nog een degelijk verhaal gemaakt kan worden, maar dat is voor Calvino geen probleem, dit boek blijft eerst en vooral een leuk verhaal - de filosofie moet je er maar uitplukken als je wilt. Dat verhaal is bovendien ook knap geschreven en evolueert doorheen het boek, van een redelijk hermetisch, afstandelijk geschreven verslag tot een wervelende, soms hilarische ridder- en schelmenroman zoals ik die sinds het weergaloze The Once and Future King niet meer gelezen heb. De reden voor deze evolutie zit in het verhaal vervat en ga ik niet verklappen - maar misschien dat het helpt mochten de eerste hoofdstukken wat moeizaam vorderen, zoals bij mij het geval was
Mooi boek dat tot nadenken stemt, maar niet te veel (dat moet ook niet altijd) - geen meesterwerk, maar wel een mooie prestatie van mijn favoriete verteller.