Hongaarse schrijvers hebben de merkwaardige gewoonte om verhalen uit de klassieke oudheid te hervertellen. Nu komt dat ook in andere literatuurtradities wel voor, maar dan gaat het volgens mij toch vaker om een bewerking, een moderne variant op het oude verhaal of iets dergelijks. Zo niet in Hongarije. Sándor Márai vertelt in Vrede op Ithaca doodleuk een deel van De Oddysee na, Kosztolányi schreef een realistisch portret van Nero (Nero, de bloedige dichter) en Magda Szabó neemt de Aeneas onder handen.
Nu moet gezegd worden dat Szabó wel degelijk sjoemelt, in de zin dat ze het verhaal volledig naar haar eigen hand zet. Aeneas sneuvelt al vroeg in een duel met z'n eigen vrouw, Creüsa, die zich vervolgens voordoet als 'de edele Vader' en de rest van het boek de rol van Aeneas speelt.
Dat is echter onvoldoende om er een boeiend geheel van te maken, zo lijkt het althans. Het ogenblik mag dan aardig beginnen maar vooral het middenstuk is taai. Szabó kiest ervoor om vrijwel volledig vanuit het perspectief van Creüsa te schrijven. Dit brengt haar er onder meer toe om lange monologen op te voeren waarin Creüsa als stichter van het Romeinse rijk met haar Latijnse bruid (Lavinia) spreekt. Deze passages zijn inhoudelijk weinig interessant en stilistisch nogal gekunsteld.
Toch heeft het boek over de gehele lengte iets in zich, een belofte, en die belofte wordt met name in de laatste tachtig pagina's waargemaakt. Opeens, vanaf het hoofdstuk 'In de onderwereld', ontbolstert de thematiek volledig. Creüsa is aan de ene kant een speelbal van het noodlot, dat als een zwaard boven haar hoofd hangt, en aan de andere kant neemt ze het heft van haar leven en van de geschiedenis volledig in eigen handen. Ze wordt heen en weer geslingerd worden tussen determinisme en existentialisme, tussen plicht en wens, en is zich daar terdege van bewust. In het laatste deel van de roman zie je als lezer pas goed wat dit met Creüsa doet, die beheerst wordt door weemoed, door hunkering naar het verleden en een gevoel van persoonlijke onvervuldheid. Dat zijn de thema's waar Szabó mee werkt, zoals ze dat ook al deed in De Katalinstraat, en ze doet dat met een intensiteit die me echt raakt.
Helaas vormen de setting van Het ogenblik en de lange aanloop die Szabó nodig heeft spelbrekers voor een echt hoge waardering. Gelukkig heeft ze met De Katalinstraat al een literaire parel afgeleverd die juist de ingrediënten bevat die ook Het ogenblik uiteindelijk zo ontroerend maken.