Volgens Plato bestaat de ideale samenleving uit drie bevolkingsgroepen: de filosofen, de wachters en het gewone volk. De politieke macht moet bij de filosofen liggen. De leiders worden geselecteerd op bekwaamheid, niet op afkomst of bezit. Wie aanleg laat zien voor rekenkunde, meetkunde, sterrenkunde en muziektheorie, wordt vanaf z’n twintigste ingewijd in de ideeënleer van Plato.
Deze leer legt hij uit met de beroemde allegorie van de grot. Terwijl de meeste mensen zich blind staren op de schaduwen, is de filosoof degene die de waarheid ziet. Zo iemand zal z’n macht niet misbruiken, maar een sober leven leiden in dienst van een deugdzame samenleving.
Sommige uitspraken doen de wenkbrauwen fronsen. Zo is Plato een uitgesproken voorstander van oorlog en algemene dienstplicht. Hij verwerpt de individuele vrijheid en wil dat alles collectief is. Zaken als beroepskeuze en voortplanting moeten door de staat geregeld worden. Kunst moet geweerd worden, behalve als deze een moraliserende en stichtende functie heeft. Het doet wat denken aan de communistische heilstaat. Democratie leidt volgens Plato onvermijdelijk tot populisme en uiteindelijk dictatuur.
De dialogen hebben iets kunstmatigs. Meestal is het Socrates die iets zegt en Glaucon die hem gelijk heeft. Deze oudere broer van Plato zou je de grootste ja-knikker uit de geschiedenis kunnen noemen. Twee anderen maken enkele tegenwerpingen, maar die worden snel afgemaakt. Het is een interessante denkoefening, maar niet geschikt als praktische handleiding voor het inrichten van een staat.