Jelle schreef:
Hij was het fundamenteel oneens met Hegel, die zei dat er een dialectisch proces gaande is, waarbij alle standpunten evenveel hun tegendeel waren, en uit deze tegenstrijdigheid een nieuw standpunt naar voren komt (kort gezegd). Kierkegaard was het oneens met dit gebrek aan keuze... sommige dingen liggen nu eenmaal Of-Of (Enten-Eller)
Volgens mij gaat het om het volgende. De Hegelianen hadden het absolute weten bereikt en aldus de totaliteit van de kennis geproduceerd (Hegels filosofie is een voltooiing van de metafysica en een metafysica van de voltooiing). Die allesweterij irriteerde Kierkegaard want als zodanig al het bewijs dat het geen weten is waar je iets aan hebt want voor hem is waarheid pas waarheid als het een verinnerlijkte en geleefde waarheid is (‘subjectiviteit is de waarheid’ schrijft hij elders). Waar absolute kennis kennis van het absolute is waarin alle tegendelen zijn opgeheven tot een eenheid, vereist het leven in de zin van
existeren het maken van keuzes voor het een of voor het ander: in dit boek heeft dat de vorm van de keuze voor de esthetische levenswijze (uitgedrukt in het eerste deel) of de ethische levenswijze (uitgedrukt in het tweede deel) met uitdrukkelijk geen verzoening of conclusie.
Met de titel van het boek (Of/Of) reageert Kierkgaard overigens direct op een uitspraak van de Hegeliaan Martensen dat het “de taak van onze eeuw is dat verschrikkelijke of/of te boven te komen” waarbij Martensen vooral op de christelijke metafysica doelde. Daarin ligt een interessante overeenkomst tussen Hegel en Kierkegaard: beide hadden theologie gestudeerd maar ze hadden niets met de kerk en hun hart lag bij de filosofie en dan met name bij de verhouding tussen filosofie en christelijk geloof: Kierkegaard besloot te gaan schrijven om uit te zoeken waar het misverstand tussen de speculatieve wetenschap (Hegels filosofie) en het christendom ligt. Waar Hegel het mysterie van het christendom oplost (omdat hij gelijk God alles weet) door middel van zijn dialectiek en bij hem de filosofie en het christelijk geloof worden verzoend, hamert Kierkegaard erop dat juist van wat er toe doet geen kennis mogelijk is: de waarheid is ten diepste een mysterie of paradox want in de reflectie (het denken) gaat het wezenlijke verloren (zoals ook bv. Nietzsche later zou doen, kiest Kierkegaard voor het leven in plaats van het denken als primaat waardoor zijn werk ook dicht bij literatuur zit). Toen Kierkegaard zich op de filosofie – dus op Hegels filosofie – stortte, stuitte hij meteen op wellicht de grootste fout van Hegel: Hegels filosofie bevat geen humor! Dat is wezenlijk voor Kierkegaards filosofie: hij maakt korte metten met alle ‘objectieve’ waarheidspretenties want de werkelijkheid is ten diepste absurd zodat er maar één juiste levenshouding is, namelijk dat van het lachen. Kierkegaard is dan ook bovenal een moderne erfgenaam van de cynicus Diogenes van Sinope (404 – 323 v.Chr.) (die de filosofie van Plato aanviel zoals Kierkegaard die van Hegel).