Dit is nu weer zo'n werk dat je nog wel eens kunt tegenkomen op boekenmarkten in de meer christelijke streken van het land. Van dit fraaie gebonden boek heb ik de zesde en enigszins uitgebreide druk in huis uit 1979, dat ik omstreeks 1990 in een kleine boekwinkel op de kop tikte, waarna het voor lange tijd in de boekenkast bleef staan. Ik ga er wat over vertellen.
Schrijver is Hendrik Algra. De man, geboren in het Friese Hardegarijp, was onderwijzer, leraar aan de kweekschool, behaalde middelbare akten geschiedenis en Nederlands en was van 1935 (met onderbreking van de oorlogsjaren waarin hij als gijzelaar geïnterneerd was) tot 1970 politiek hoofdredacteur van het Friesch Dagblad. Van 1946 tot 1969 was hij lid van de Eerste Kamer.
Een echte onderwijzer, die mooi kon vertellen over de vaderlandse geschiedenis. Onderdeel van die geschiedenis is het wel en wee van de christelijk confessionele beweging, die vanaf de Franse tijd, begin negentiende eeuw, in de knel kwam tussen patriotten en modernisten. En, dat was het wonder, hieruit verrees door de oprichting van vrije kerken.
De oude gereformeerde belijdenisgeschriften, zoals de Dordtse Leerregels, waren vergeten en dominees preekten sinds Napoleon op zondag vooral over de deugden van het nieuwe licht. Een rede voor beschaafde burgers, tot eer van het Opperwezen en zijn Voorzienigheid, waarbij de bijbel nog nauwelijks opengeslagen hoefde te worden. Over de Franse tijd heeft Algra weinig goeds te melden. Het standsverschil bleef ondanks de égalité onverminderd groot.
De Gereformeerde Kerk van weleer was sinds de revolutie omgevormd tot de Nederlands Hervormde kerk, onder toezicht van de Koning, en die op plaatselijk niveau geleid werd door regenten en kerkmeesters, die behalve de kerk ook de bezittingen, waaronder landerijen, beheerden. Boeren en landarbeiders werden op die manier afhankelijk gemaakt van de kerkvoogdij die bovendien besliste over de aanstelling van de predikanten.
Maar waar het vooral om ging, was het vrije belijden van het geloof. Algra maakt duidelijk dat mensen er in die tijd uren lopen voor over hadden om elders een goede preek te horen. Daar werd dan de hele verdere dag over nagepraat. Sociale strijd en geloofsstrijd waren met elkaar verbonden. Heel anders dan de socialisten en radicale doopsgezinden, bleven ‘de kleine luyden’ gezagsgetrouw en voelden zich op historische gronden verbonden aan het Oranjehuis. Ze waren anti-revolutionair en sterk voor ‘soevereiniteit in eigen kring’, met name in de kerk en in het onderwijs.
We zien zo een zuil ontstaan, uit de klei getrokken als het ware, die zich met steeds meer zelfvertrouwen ontwikkelde. Aan het einde van de negentiende eeuw kwamen de ‘afgescheidenen’ en ‘dolerenden' tot elkaar in een kerkverband onder leiding van Abraham Kuyper (geboren in Maassluis), een politicus-theoloog die veel invloed verwierf en de aanzet gaf tot het oprichten van een eigen Vrije Universiteit in Amsterdam in 1880. Onafhankelijk maar toch verenigd en sterk verbonden met de gereformeerde kerken.
We lezen de hele geschiedenis in dit boek, waarbij opgemerkt moet worden dat Algra de zaken meer dan eens in het voordeel van de eigen groep, de gereformeerden, laat uitvallen. Duidelijk is dat daar zijn sympathie, of beter: zijn hart, ligt.
In een latere druk heeft de schrijver, inmiddels op hoge leeftijd, een hoofdstuk toegevoegd over de situatie in de twintigste eeuw en met name in de naoorlogse jaren. En hij is bezorgd. Hij ziet in de latere ontwikkeling vooral de zekerheid van het geloof verdwijnen en constateert met verdriet de erosie en verdere afbrokkeling van het kerkelijk leven. Vooral de kerkscheuring in 1944 in eigen kring, de vrijmaking, viel hem zwaar. Reden te meer voor hem om in 1965 dit boek te schrijven, om het collectief geheugen in eigen kring op te frissen, misschien bedoeld als signaal.
Wat ooit als een wonder beleefd werd, de terugkeer van een oude, bijna vergeten geloofsbelijdenis in de negentiende eeuw, en de opkomst van vrije kerken waarin dat vrij beleden kon worden, werd nu in de jaren zestig, vooral als een last ervaren, waarvan men zich wilde bevrijden. Het ‘ruimere geloof’ dat daarvoor in de plaats kwam, hield bij velen geen stand. Maar met evenveel recht kun je spreken van een voortschrijdende emancipatie. Dat de ‘kleine luyden’ zich ook economisch ontwikkeld hebben en vrijwel geen armoede meer kenden, speelt daarbij ongetwijfeld een rol. Men kon zich wat minder solidariteit veroorloven. Eenzelfde ontwikkeling zien we in de andere zuilen: de rooms-katholieke en sociaaldemocratische. Daarover gaat het in dit boek niet.
Een uniek boek, met veel aansprekend historisch materiaal, verhalen en portretten, zoals van Willem Bilderdijk, Hendrik de Cock en Abraham Kuyper, bekend van de straatnamen. Algra schrijft warm en boeiend en hoewel het boek 60 jaar oud is, is het nog zeer leesbaar.
Vooral voor Friezen, zoals ik, een must-read, waarbij ik de enigszins beperkte blikrichting van de schrijver voor lief neem en aanvul met wat ik vanuit andere invalshoeken te weten ben gekomen.