Een beknopt boekje van hoogleraar Jacob Neusner (1932-2016), Rhode Island, VS.
Vooral legt hij uit welke figuren en stromingen in de eerste eeuw van onze jaartelling belangrijke invloed hadden binnen het Jodendom in Palestina. De Essenen, Sadduceeën, Farizeeën, messiaanse leiders, Hillel, Shammai en de reacties op de catastrofe.
Een historisch zeer bepalend moment, zowel in jodendom als christendom, is de verwoesting van de tempel in Jeruzalem geweest, in het jaar 70 na Chr. Vanaf dat moment eindigde de offerdienst in de tempel en moest het rabbijnse jodendom een nieuwe oriëntatie vinden. Voor het christendom, tot dan toe een Joodse sekte, het moment de verwoesting te zien als een teken van God en een rechtvaardiging voor hun geloof, een straf voor het verwerpen van Jezus als messias. Bij catastrofes als deze werd in die tijd gedacht aan schuld en boete. Ook de joodse apocalyptici zagen het onheil over Jeruzalem als straf, maar om een heel andere reden: ongehoorzaamheid aan de geboden. En dus was de Romeinse verwoesting van hun heilige stad niets minder dan een oordeel.
De oudbijbelse tijden waren afgesloten en er opende zich een nieuwe periode waarin een nieuwe ethiek vorm kreeg, gebaseerd op het vers van de profeet Hosea: 'Want in liefde heb ik welbehagen en niet in slachtoffers'. Barmhartigheid, bewogenheid en welwillende liefde, ziedaar het oorspronkelijke liefdegebod, zoals ook Jezus leerde.
Het kon een verdere tweespalt tussen rabbijnen en christelijke leiders niet voorkomen. Ook Neusner komt hier niet verder. De geschiedenis bleek weerbarstiger dan de meest hooggestemde religieuze idealen.
In een slotwoord vat hij nog een aantal zaken samen. Ik geeft hiervan de kern weer, waaruit blijkt dat de schrijver joden en christenen weer tot elkaar ziet naderen:
'De rabbijnen van de oudheid zagen uit over een verwoeste wereld die nog nasmeulde na het onheil, maar zij spraken van wedergeboorte en vernieuwing. De heilige Tempel lag in puin, maar zij waren bezig met heiliging. De oude geschiedenis was voorbij, maar zij keken uit naar een toekomstige geschiedenis. Van hen is de boodschap, zoals we zien, dat wat waar en echt is, het omgekeerde is van wat mensen waarnemen.
God staat voor paradox. Kracht komt door zwakheid, heil door aanvaarding en gehoorzaamheid, en heiliging door het gewone en profane, dat heilig gemaakt kan worden.
Nu moet deze denkwijze aan bewuste christenen opmerkelijk bekend voorkomen. Want het kruis, dat voor zwakheid staat, brengt heil: en de gekruisigde misdadiger is koning en redder. Dat is de dwaasheid waarnaar de apostel Paulus verwijst. Maar hoe groter de ‘onzin’ - leven vanuit het graf, eeuwigheid vanuit de dood - hoe dieper de waarheid, hoe rijker de paradox!
Hier hebben we dan de oude Joden, één groep spreekt over de heiliging van Israël, de andere over het heil voor Israël en de wereld. Elk afzonderlijk, denken ze langs dezelfde lijnen en komen tot conclusies die opmerkelijk op elkaar lijken. Conclusies die de paradox van God in deze wereld bevestigen, van de mensheid naar Gods beeld in het rabbijnse denken, van Gods incarnatie in het christelijke.
Is het niet de tijd van de gezamenlijke erfgenamen van de Schrift en de hoop van het oude Israël om elkaar opnieuw te ontmoeten in alle ootmoed voor het aangezicht van de levende God? '