Uit nieuwsgierigheid, en ook wel met enige tegenzin in het begin, dit boek meegenomen en gelezen.
Er zijn weinig onderwerpen in de geloofstraditie te vinden die meer problemen en weerstand oproepen dan de leer, het dogma, van de drie-eenheid. Christenen, gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, geloven niet alleen in de drie werkzaamheden van God, maar ook in de eenheid van hun bestaan. Zo is de Zoon net zo eeuwig als de Vader en de Geest (nog moeilijker voor te stellen) een andere persoon, maar toch ook dezelfde eeuwige God. Er is geen ander.
Het is daarom een prestatie als je over dit onderwerp zowel een leesbaar als interessant boek kunt schrijven, waarin de geschiedenis van dit oude dogma wordt uiteengezet.
En dat niet zonder kritische noten! Te vaak is de theologie, al vanaf de tweede eeuw, verzeild geraakt in het vaarwater van de Griekse filosofie, die abstracte ideeën kende over hoe God moest zijn: eeuwig, onbegrijpelijk, almachtig, maar ver verheven boven het dagelijkse aardse gewoel.
Van de Beek, emeritus hoogleraar symboliek, is een kenner bij uitstek als het om theologische vormen gaat vanaf die eerste eeuwen. Christenen vereerden Jezus als Heer en dat werd, na de nieuwtestamentische tijd, ineens een probleem. Want dan heb je twee goden. Of je zegt dat Jezus alleen een bijzonder mens was. En als dan ook de Geest van God daar nog bij komt, en zich manifesteert, hoe leg je dat dan weer uit. Daar ga je met het geloof in de ene God.
De Geest en de eeuwige Wijsheid was er ook al in het Oude Testament en niemand had daar moeite mee. Maar met de christologie, de verering van de mens Jezus, werd dat anders. De eerste christenen zullen dat probleem niet gekend hebben, want ze leefden hun geloof uit in de praktijk en in lofliederen en niet in de hogescholen. Maar toen de kerk ontstond en kerkbestuurders, bisschoppen en wereldlijke machthebbers strijd gingen voeren (het ging behalve om de leer ook altijd om de macht!) volgden de ‘leerstellingen’, zoals geformuleerd in Nicea en Constantinopel in de vierde eeuw.
Van de Beek beschrijft met kritische pen de ontwikkeling. Hij schrijft over Marcellus van Ancyra, die de komst van de Zoon zag als een noodmaatregel. Na de verzoening en verlossing was de Zoon eigenlijk niet meer nodig. Iets dergelijks ziet hij terug bij de invloedrijke Nederlandse theoloog Arnold van Ruler (1908-1970). Voor velen was en is dit ‘messiaans intermezzo’ een begrijpelijke uitleg. Na Christus is het nu weer de beurt aan God. Maar kun je die periode van de Zoon dan ooit afsluiten? Opvallend kritisch is hij tegenover kerkvader Augustinus. Hij maakte, in overeenstemming met zijn platoonse denken, van de drie-eenheid een vage mystieke zaak. Minder kritisch maar wel met ongeveer dezelfde bezwaren staat hij tegenover Calvijn en Karl Barth.
Van de Beek denkt heel concreet en absoluut. Vader, Zoon en Geest zijn er altijd al geweest. Er was niet ooit een perfecte schepping die gevallen is en redding nodig had, maar van begin af aan wil God mensen redden. Ook als ze daar niet om vragen. Christus is net zo eeuwig als de Vader en de Geest. Er is geen ontwikkeling naar meer of minder goddelijkheid. Laat staan door menselijke vroomheid. Zonder reserve stelt de auteur dat Jezus van begin af aan als God werd beleden in de oudste christelijke gemeente en dat dit geen latere gedachte is. Uiteraard weet hij de lezer hiervoor een flinke rij bijbelplaatsen te leveren. De auteur weet intussen best dat hij zich hiermee in een dwarse positie bevindt en tegengeluiden oproept.
Een beetje stoer geformuleerd is dit nieuwe boek. De auteur is 79 en nog best in staat zich goed en bij de tijd te verwoorden. Maar misschien komt het ook wat scherp en indringend over, alsof hij nog eenmaal zijn positie wil duidelijk stellen. Dat scherpe is ook wel fijn. Ik ben het lang niet altijd met hem eens, maar hij schrijft goed en eerlijk. Een compacte geschiedenis van het belangrijkste christelijke dogma. In de versie van Bram van de Beek weliswaar.