Michel van der Plas, pseudoniem van Ben Brinkel (P) en Godfried Bomans (B) hebben vele uren samen doorgebracht in gesprek over hun rooms-katholieke jeugd. En in die gesprekken ging het over de (on)waarachtigheid van het Roomse leven, zoals ze dat van huis uit ervaren hadden.
Opmerkelijk is dat P een stukje positiever daarop terugblikt dan B. Voor P geen trauma’s en bittere nasmaak, al erkent hij vele fouten en onwaarheden in dat systeem. B heeft meer treurige herinneringen uit zijn milieu meegekregen. En hij vraagt zich af of het hele Roomse leven, met al z’n uiterlijkheden en buitenkant-vroomheid eigenlijk niet meer was dan een gemaskeerd ongeloof. B wil echtheid zien en stoort zich aan de verkleedpartijen. Hij wil tot de kern doordringen en de franje achterwege laten.
Er valt wel wat te lachen in dit boek. Het is een schets van het leven in 1969, toen er maatschappelijk zoveel veranderde. Ook, en vooral, in de kerk. Het was de tijd van de ‘beatmis’, in een krampachtige poging de jongeren bij de kerk te houden. Het mocht niet baten. En het is alsof vooral B dat hier al kan constateren. Daarmee is hij niet de man die zijn Roomse leven achter zich gelaten heeft. Integendeel: hij wil ernaar terug, maar dan wel naar de essentie. En zelfs terug naar de Latijnse mis. Want, in het Nederlands klinkt het gewoon niet.
De kou, waarvan in de titel sprake is, is vooral de kou van het
niets dat in de plaats kwam van het Roomse leven. Het verdwijnen van een stuk mystiek. Maar ook: de kou waarmee de kerk de zeer reële vragen van de gelovigen onbeantwoord liet. Je werd met een setje voorgekookte antwoorden het bos ingestuurd.
Bomans en van der Plas spreken hier heel open over. Wat Bomans betreft, de meest intieme blik in zijn gevoelswereld: sexualiteit, schuldgevoelens, angsten en onzekerheden, alles komt ter sprake. Voor de lezer nu toch wel een flinke sprong terug in de tijd. Het vraagt wat inlevingsvermogen. De vragen van toen passen ook niet meer in onze tijd. De buitenkant van het instituut, de vorm, die toch nog wel diep in de vezels van het leven was doorgedrongen, begon in die jaren zestig de grip op het dagelijks leven te verliezen. De vraag die overblijft is daarbij dezelfde gebleven: wat is waar en waard om in te geloven. En waarvan kan met een gerust hart afscheid genomen worden.
Een citaat (p229) tenslotte:
B: En nu is er nog één ding, dat me hindert en daar moet ik vanaf, vóór we verder gaan. Het is dit. We hebben de priesters uit onze jeugd aardig te kijk gezet en terecht. Ik neem daar ook niets van terug. Maar er moet wél iets aan worden toegevoegd. Ze stonden voor dag en dauw op, sjouwden de hele dag in 't rond, stonden voor iedereen klaar en verdienden geen cent. Dat ze voor het overgrote deel sober leefden en ernst maakten met het celibaat staat vast. In elke andere betrekking hadden ze vermoedelijk royaler en in elk geval warmer geleefd, want 's avonds op je dooie eentje in zo'n kale vrijgezellen-kamer terugkeren, dat valt niet mee. Er moet ontzaglijk geleden zijn, er werden grote offers gebracht. En voor wie? Toch eigenlijk voor ons. We moeten dat even vaststellen, anders zijn we niet compleet. Achter alle fouten die er gemaakt zijn, heeft een hoge intentie gestaan, je zag het vaak in die gezichten en dat wil ik met respect herdenken. Kun je je daarbij aansluiten?
P. Volkomen.