menu
poster

Uit Sterrenstof Gemaakt: Moderne Kosmologie en het Religieuze Wereldbeeld - Wil van den Bercken (2020)

mijn stem
4,50 (1)
1 stem

Nederlands
Ideeƫnliteratuur / Wetenschappelijk

128 pagina's
Eerste druk: KokBoekencentrum, Utrecht (Nederland)

Dankzij de moderne kosmologie weten wij dat de mens uit sterrenstof is gemaakt en dat ons melkwegstelsel er slechts één is van honderden miljarden. De ontdekkingen over het ontstaan en de onmetelijkheid van de ruimte-tijd geven de vraag naar de plaats van mens en God in de megakosmos een nieuwe urgentie. Van den Bercken betoogt dat God weliswaar afwezig is in de kosmos, maar dat dit niet hoeft te betekenen dat God niet zou bestaan.

zoeken in:
avatar van Wandelaar
4,5
Medicijn tegen het kleine denken: een besef van het onmetelijke heelal  - De Correspondent.nl
‘Stel je voor. Als iedereen zijn dag aanving met wat en waar we werkelijk zijn. Als we ons steeds opnieuw bewust zouden zijn van de raadselachtige afstemming van natuurkundige krachten, die voor het ontstaan van leven verbluffend precies moet zijn – want als de oerknal een fractie trager was, was alles geïmplodeerd en een fractie sneller en er hadden geen atomen kunnen vormen, en dus geen materie. Zouden we niet beter voor onze planeet zorgen als we doordrongen waren van de onwaarschijnlijkheid van dit alles?’

avatar van Wandelaar
4,5
Dit boekje van Wil van den Bercken kun je vergelijken met het boekje van Taede A. Smedes: Thuis in de Kosmos: Het Epos van Evolutie en de Vraag naar de Zin van Ons Bestaan (2018) - BoekMeter.nl. Beide schrijvers zijn van huis uit geen sterrenkundigen of kosmologen, maar houden zich vanuit levensbeschouwelijke interesse bezig met het onderwerp. Niet alleen het ontstaan van de kosmos en de evolutie van het leven worden beschreven, maar ook de zin-vraag, die een typisch menselijke vraag is. Beide schrijvers gaan uit van een evolutionistisch wetenschappelijk model en verwerpen creationisme en 'intelligent design' als verklaringsmodellen. Daarbij benadrukken ze dat echte wetenschap moet erkennen dat veel, heel veel, nog onbekend terrein is. Hoe het leven op aarde ontstond bijvoorbeeld, is nog niet verklaarbaar. De grote getallen en miljarden jaren doen je duizelen.

Het verschil tussen beide auteurs, zit in het plaatsen van de zingevingsvraag. Smedes, hoewel theoloog, noemt zichzelf post-theïst. Hij schrijft: 'Ik geloof niet meer in de bovennatuurlijke God van het theïsme'. Niet meer, dus er is een moment geweest dat de schrijver hiervan afscheid genomen heeft. Dat betekent echter niet dat de term 'God' voor hem afgedaan heeft als zingevingsmodel. Hij schrijft: 'Het spoor van God kunnen we vandaag nog slechts ontwaren in het gelaat van de ander ... die ander kan een mens zijn, maar ook een stemloos schepsel.' Opmerkelijk toch weer dat van schepsel gesproken wordt.

Van den Bercken levert geen godsbewijzen, maar ziet, op basis van dezelfde kosmische gegevens, dat er wel degelijk plaats kan zijn voor de Schepper-God, die zich persoonlijk bemoeit met zijn schepping.
'Het heelal als zodanig is zinloos want het eindigt hoe dan ook in zelfvernietiging, hetzij als oneindige donkere koude leegte (bij het zogenaamde open kosmosmodel) hetzij als implosie (bij het gesloten kosmosmodel). Als het heelal een zin heeft, dan moet die komen van een schepper.'
De vraag daarbij is: welke consequenties heeft het wel of niet aanhangen van een godsgeloof voor het denken over de kosmos. En daarmee voor het menselijk samenleven, dat alleen kan bestaan als persoonlijk.

Van één ding raak je in ieder geval overtuigd: de menselijke nietigheid. We zijn gemaakt uit sterrenstof.

avatar
De omschrijving bij het boek is wat bevreemdend: “De ontdekkingen over het ontstaan en de onmetelijkheid van de ruimte-tijd geven de vraag naar de plaats van mens en God in de megakosmos een nieuwe urgentie.” Maar hoe kan een vroegmodern, 17de eeuws inzicht (Pascal: “Het eeuwige zwijgen van deze oneindige ruimten maakt mij bang”) waar de filosofie al eeuwen mee worstelt “een nieuwe urgentie” hebben? Of moeten we denken aan Nietzsche’s beroemde parabel over de dood van God waarvan het nieuwe en verontrustende niet de conclusie is dat God dood is maar dat Nietzsche gelijk heeft gekregen dat het nog wel een eeuw zou duren voordat we – met het ‘postmodernisme’ – de consequenties van Gods dood bewust worden, namelijk dat met God elke zingeving en de waarheid überhaupt (het absolute) is gestorven en we alle kanten op vallen zonder zelfs maar boven van beneden of links van rechts te kunnen onderscheiden, resulterend in die zingevingscrisis? En wat was de oude urgentie dan? Volgens mij was er maar één ‘zonsverduistering’: met de nieuwe wetenschap verdween God van het kosmische toneel.

Het grote intellectuele, moderne schandaal is dat God wel maar de religie nog niet dood is: het moderne, protestantse geloof in de rede beoogde nota bene het christendom te zuiveren van de religie (bijgeloof, uitwendige riten zoals het gebed) om een ‘cultus van het hart’ te behouden, maar de ironie is dat het hele moderne project van de rede en van internalisering en vergeestelijking van het geloof (waarvan het begin uiteraard al in de Bijbel zelf zit) tot een persoonlijke overtuiging juist het geloof in God steeds verder heeft ondermijnd terwijl de behoefte aan religie (de rituelen) is gegroeid. Terwijl de protestanten wanhopig een spoor van God aan het zoeken zijn (Waar is hij toch gebleven? Kan ik hem in het esthetisch sublieme ervaren of zie ik hem misschien in het ethisch sublieme zoals in het gelaat van de Ander?), toont het katholicisme (maar ook de islam) dat religie in de kern bar weinig met geloof te maken heeft: religie is een thuis dat je samen met anderen bouwt door middel van religieuze, materiële handelingen. Een persoonlijke religie (geloofsovertuiging) is net zo onzinnig als een privétaal. De protestant gelooft misschien dat hij in die oneindige, koude, onverschillige kosmos waarin hij zelf slechts een hoop atomen is een ‘thuis’ heeft gevonden in zijn geloof in God (al moet ie hem heel ver van huis achter de oerknal en de fine-tuning van natuurkundige constanten lokaliseren) maar dat kan nooit iets anders zijn dan een geloof in een illusie zoals een geloof dat je in een fysiek huis woont slechts een illusie kan zijn als je dat huis niet eerst hebt gebouwd. Het transcendente is niet het esthetisch of ethisch sublieme – dat zijn leuke theorieën voor de intellectueel maar de gemiddelde gelovige kan niets met Levinas – maar de materialiteit: het eenvoudige feit dat de wereld er is en dat we die met ons bewustzijn nooit geheel kunnen omvatten (zoals het moderne idealistisch project, culminerend in het systeem van Hegel, probeerde). De grootste miskleun is waarschijnlijk dat de kerkmissen niet meer in het Latijn worden gegeven (natuurlijk een nieuwerwets dus protestants idee): religie gedijt het beste met volstrekt onbegrijpelijke riten in een onbegrijpelijke taal want alleen uit het volstrekt betekenisloze, zoals de materie van de wereld, kan betekenis worden geschapen (de fout van het protestantisme was z’n obsessie met betekenis – het Woord – waardoor het juist elke betekenis verloor). Op grond van zo’n geschapen betekenis zonder idee in het gebaar ontstaat er het wonder van de schepping van een thuis ergens op Aarde te midden van het koude heelal van louter botsende atomen waarin de gelovige zich opgenomen voelt in iets wat groter dan hem zelf is en wat hem een plaats en zijn leven een betekenis geeft. Voor hem is de zon weer opgegaan en zoals men in oeroude religies de zon als bron van al het leven dank betuigde, zo wil ook de gelovige die zich door middel van (onbegrijpelijke) riten opgenomen voelt in een leefwereld waarin hij behaaglijk kan wonen dank betuigen en daarvoor noemt hij zijn object van dank ‘God’.

PS. Bovenstaande ontleen ik met name aan de religie-opvatting van Ger Groot in bv. Religie zonder God (https://www.boekmeter.nl/book/43577). Net als ik is hij atheïst maar ik denk dat hij – vanuit zijn katholieke achtergrond – goed heeft begrepen waarom religie nog steeds bestaat, wat haar kern is en waarom het protestantisme – dat in Nederland alle media, politiek en religiedebatten overheerst bij wijze van het project van de moderniteit – wel moest uitlopen op een fiasco. Waar protestanten twijfelen of God nu wel of niet bestaat of waar we hem nog kunnen tegenkomen, hebben katholieken eigenlijk nooit ‘echt’ geloofd: dat is hun grote ‘postmoderne’ kracht. Tegelijk maakt Ger Groot korte metten met de romantiek, waar het protestantisme z’n fataal geloof in het individu en diens gewetensvrijheid aan te danken heeft waardoor alles ‘persoonlijk’ wordt en alles als los zand uiteenvalt, culminerend in het vreselijke ‘ik geloof niet in God maar wel in iets’), maar ook met het kille atheïsme van Camus die oproept om te leven vanuit het besef dat God niet bestaat en dat het leven zinloos is dat eveneens typisch romantisch is: waarom zou je jezelf willen harden om als een dier te kunnen overleven in de spirituele wildernis zonder religie terwijl je ook een spiritueel huisje kunt bouwen waar je kunt schuilen? Je moet alleen niet geloven dat God iets is wat onafhankelijk van ons bestaat: God is een woord dat zichzelf waarmaakt (ik denk dat de islamitische ‘geloofsbelijdenis’ een goed voorbeeld is: dat is geen ‘hoogstpersoonlijke’ geloofsbelijdenis in protestantse zin maar een verplicht ritueel dat het geloof waarmaakt door het – telkens opnieuw – uit te spreken).

avatar
geplaatst:
Volgens mij zag ik een reactie waarin je onder meer schreef dat Van den Bercken benadrukt dat we niets zeker weten omtrent het wel of niet bestaan van God. In dat verband kan ik nog een ander belangrijk aspect toelichten van mijn verhaal: de dichotomie van zijn (het goddelijke: theologie) en tijd (het wereldse: religie). Dat boekje Religie zonder God, waarnaar ik verwees, is een dialoog tussen Theo de Boer (van protestantse komaf) en Ger Groot (van katholieke komaf). De Boer gelooft niet meer in een bovennatuurlijke God maar ziet – klaarblijkelijk net als Smedes – het goddelijke of transcendente in Levinas’ appel in het gelaat van de Ander: hij legt uit hoe de God van de rationele theologie (God als eeuwig en onveranderlijk; Pascal zou zeggen: de god van de filosofen) onverenigbaar is met de praktijk van de religie überhaupt. Om die reden wilde de Verlichting in wezen de religie afschaffen om God te behouden (bv. het gebed heeft geen enkele zin als God onveranderlijk is; ik denk dat dit Godsbegrip zijn culminatie vond in Spinoza’s systeem). Maar door de moderne ontwakening van het historisch bewustzijn verloor juist de rede zijn universele aanspraak, resulterend in de dood van God in de zin dat we gelijk Jezus als het ware verlaten werden door God omdat die transcendente God elke betekenis voor ons verloor (en bleef net als bij Aristoteles God z’n eigen theoloog zonder enige verbinding met de mens).

Maar Ger Groot in bv. Het krediet van het credo benadrukt het fundamentalisme van het protestantisme dat gelijk elk fundamentalisme precies de tijd ontkent: het zoekt het directe lijntje met God (in de zin van Gods Woord) waardoor elke bemiddeling en historisch proces – en daarmee ook het gewicht van het verleden - afschaft met aldus een revolutionaire verwerping van elke traditie of autoriteit buiten (jouw eigen interpretatie van) Gods Woord. Ik denk dat het katholicisme God veel meer als het mysterie überhaupt opvat: God is niets anders dan het mysterie dat de wereld bestaat en dat wij bestaan (waardoor ook verleden, traditie en de bemiddeling door een kerkelijke autoriteit een gewicht krijgen). De mens kan principieel dat mysterie niet bevatten (zoals gezegd: Hegel deed een moedige poging) waardoor geen enkele autoriteit, inclusief de paus, absoluut is omdat alles slechts uitdrukking van historische krachten is – in die zin past het katholicisme bij het postmoderne relativisme – en katholieken nooit meer dan ‘halve gelovigen’ zijn geweest want hoe kun je geloven in een God die ten diepste een mysterie is en die je dus niet kunt kennen (zoals bv. ook Multatuli opwerpt in zijn ‘Het gebed van den onwetende’)? De kerkelijke dogmatiek geeft richting maar het blijft allemaal mensenwerk waardoor het accent natuurlijkerwijs niet ligt in het steeds wanhopigere ‘protestantse’ zoeken naar God (het Absolute) om nog een betekenis van het leven te kunnen vinden of stutten maar in de praktijk van de religie met z’n riten en gebaren die de mens borgen en betekenis aan zijn bestaan geven en dat vervolgens God noemt. Waar het katholicisme op existentiële wijze het fundamentele mysterie van het bestaan omarmt en dat God noemt, loopt het protestantisme met zijn gerichtheid op een ‘redelijk’ geloof noodwendig uit op een armzalige ‘gaten-God’ waarbij de steeds verder naar de marges weggedrukte God slechts nog kan opdraven om – voorlopig – de gaten in de kosmologie te vullen, zoals klaarblijkelijk bij Van den Bercken,

avatar van Wandelaar
4,5
geplaatst:
We drijven nu een beetje weg van het boekje zelf, daarom beperk ik mijn reactie. Schrijver Wil van den Bercken is niet kerkelijk en voormalig katholiek die zich wel protestant voelt, maar niet is, zoals je mogelijk suggereert. Van zijn hand vond ik bijgaand artikel uit 2017:
... ik ben bewust christen maar geen actief lid van een kerk. Ik ben tot mijn twintigste wel actief lid geweest van de rooms-katholieke kerk, heel actief zelfs, inclusief drie jaar als kloosterling, maar sinds die tijd heb ik geen kerkelijke binding meer.
Intellectuele bevindelijkheid - Wil van den Bercken

Het boekje is nog gewoon te koop.

avatar

Gast
geplaatst: vandaag om 03:46 uur

avatar

geplaatst: vandaag om 03:46 uur

Let op: In verband met copyright is het op BoekMeter.nl niet toegestaan om de inhoud van externe websites over te nemen, ook niet met bronvermelding. Je mag natuurlijk wel een link naar een externe pagina plaatsen, samen met je eigen beschrijving of eventueel de eerste alinea van de tekst. Je krijgt deze waarschuwing omdat het er op lijkt dat je een lange tekst hebt geplakt in je bericht.

* denotes required fields.

Let op! Je gebruikersnaam is voor iedereen zichtbaar, en kun je later niet meer aanpassen.

* denotes required fields.