menu
poster

Nooit Meer Slapen - Willem Frederik Hermans (1966)

mijn stem
4,11 (496)
496 stemmen

Nederlands
Psychologisch

256 pagina's
Eerste druk: De Bezige Bij, Amsterdam (Nederland)

De jonge geoloog Alfred Issendorf neemt samen met de drie Noren Arne, Qvigstad en Mikkelsen deel aan een geologische expeditie waarmee hij meteorieten hoopt te vinden in Finnmark, een onherbergzaam gebied dat zo noordelijk gelegen is dat 's zomers de zon niet ondergaat. Issendorf is ambitieus: hij hoopt dat hem op deze reis iets groots te wachten staat.

zoeken in:
avatar van Lalage
5,0
Donkerwoud schreef:
(quote)


Willem Frederik Hermans wilde heel graag kleurplaten in zijn roman hebben, maar zijn uitgever (De Bezige Bij) zag niet zo het nut van bijvoorbeeld hippo's met een hoelahoep in een literair werk. Als een gulden middenweg hebben ze de betreffende pagina's maar leeg gelaten...(het is waar, echt waar!)

Geniaal Ik ben dit boek nu aan het herlezen en vind het weer ontzettend goed.

avatar van Lalage
5,0
Ook bij deze tweede lezing vind ik dit weer een briljant boek.

Nooit meer slapen – Willem Frederik Hermans | Lalagè leest - lalageleest.wordpress.com

avatar
4,0
Als je mij vraagt zijn er drie belangrijke stadia in de geschiedenis van de mens.
In het eerste kende hij zijn eigen spiegelbeeld niet, evenmin als een dier dat kent. (...) Tweede stadium: Narcissus ontdekt het spiegelbeeld. Niet Prometheus die het vuur ontdekte is de grootste geleerde van de Oudheid, maar Narcissus. Voor het eerst ziet 'ik' zich 'zelf'. (...) Het derde stadium begint met de uitvinding van de fotografie. Hoe dikwijls gebeurt het dat er een pasfoto van ons gemaakt wordt waarvan wij evenveel houden als van ons spiegelbeeld? Hoogst zelden! Voordien, als iemand zijn portret liet schilderen en het beviel hem niet, kon hij de schuld aan de schilder geven. Maar de camera, weten wij, kan niet liegen. (...) Dat is het derde stadium: het voordien vrij zeldzame twijfelen aan zichzelf, laait op tot radeloosheid.
De psychologie komt tot bloei.[


Ik quote dit hier omdat het een monument is dat moet worden geconserveerd, bejubeld en verafgood. Een van de meest schrikbarend intelligente en inzichtelijke frases die mij ooit ten deel zijn gevallen. Wat een grootmeester, die Hermans, die onverbiddelijk boven bijna vrijwel de gehele rest van de Nederlandse letteren uittorent en 'het onweer dat hij in de Nederlandse literatuur heeft ontketend nog altijd laat nadonderen', om met een zekere recensent te spreken.

avatar van apocrief
4,0
Weer eens herlezen in het kader van "oude biebboeken die beter weggegooid kunnen worden omdat ze in een erbarmelijke staat verkeren".
Hoe zinloos is ons bestaan lijkt Hermans te willen zeggen. Alles is ijdel.

avatar
5,0
Nooit meer slapen is een prachtig verhaal, verteld in een sobere stijl. Juist deze soberheid maakt dit boek zo briljant. Interessante gedachtes, mooie natuuromschrijvingen en zo nu dan wat zwarte humor: zeer de moeite waard om te lezen!

5* En een plaats in mijn persoonlijke top 10.

avatar
4,5
geplaatst:
Willem Frederik Hermans, Harry Mulisch en Gerard Reve worden de Grote Drie van de naoorlogse Nederlandse literatuur genoemd. Als scholier heb ik Reve’s De Avonden (1947) gelezen dat ik een geweldig boek vond dat krachtig resoneerde met mijn eigen gevoelens van leegte en zinloosheid en Mulisch’ De Aanslag (1982) dat ik een vreselijk boek vond vanwege de arrogante toon van Mulisch via z’n hoofdpersoon terwijl ik niets kon ontdekken dat die hooghartigheid kon rechtvaardigen. Voor zover ik toen nog wat meer van Reve heb gelezen, trof de man me als buitengewoon geestig zonder verder inhoudelijk veel indruk te maken terwijl Mulisch ik sindsdien heb gemeden als de pest (maar misschien moet ik deze Thomas-Mann-van-de-Lage-Landen-wannabe nog eens een kans geven want Thomas Mann vind ik geweldig). Hermans heb ik altijd alleen gekend als vertaler van Wittgensteins Tractatus Logico-Philosophicus (1921), hetgeen me niet aanspoorde eigen werk van Hermans te lezen: dat zo’n ‘schrijvertje’ (om in de geest van Nescio te spreken) meent verstand te hebben van filosofie maakte een vergelijkbare hooghartige, zelfoverschattende indruk als Mulisch. Nu heb ik eindelijk een werk van Hermans gelezen – ik koos voor Nooit Meer Slapen (1966) dat wel Hermans’ meesterwerk wordt genoemd en dat me meer aansprak dan De Donkere Kamer van Damokles (1958) want Nederland heeft al zo veel romans over de oorlog voortgebracht – en ik vind het een briljant boek in een vergelijkbare klasse als Reve’s De Avonden.

Daarbij biedt Wittgensteins Tractatus Logico-Philosophicus mijns inziens een geschikte ingang om de roman kort te analyseren (in deze ideeënroman wordt Wittgenstein overigens twee keer bij naam genoemd). In dat vroege werk geeft Wittgenstein een afbeeldingstheorie van de taal: zinvolle proposities geven een mogelijke stand van zaken weer zodat wat de feiten overstijgt (waarden, het mystieke) niet op een betekenisvolle manier in zo’n afbeeldende taal kan worden uitgedrukt. Dit betekent niet dat bv poëzie en dergelijke geen waarde hebben, integendeel: juist poëzie en dergelijke hebben grote waarde maar die waarde kan niet worden uitgedrukt in taal omdat alles van waarde de wereld en daarmee de beschrijvende taal overstijgt (TLP: stelling 6.41: “in de wereld is geen waarde – en als die er wel was, dan zou die geen waarde hebben.”).

In lijn hiermee hanteert Hermans in Nooit Meer Slapen, waarin een student geografie op expeditie gaat en daarvan verslag doet, een uitdrukkelijk wetenschappelijke stijl: de roman staat bol van de scherpe observaties die bondig zonder opsmuk worden geformuleerd. De korte zinnen (bv. “De rivier. Ondiep. Nauwelijks stroom.” (p. 121)) passen bij het verlaten Noorse landschap met hier en daar een losse kleine boom waar het verhaal zich afspeelt maar ook benadrukken ze het wezenlijke isolement van de hoofdpersoon die opgesloten zit in zichzelf als een monade – zelfs binnen het team staat hij apart als de onervarene en de buitenlander die geen Noors spreekt (waarmee de roman de fundamentele onmacht van de mens tot communicatie en begrip en daarmee betekenis benadrukt) – en daarom slechts kan reflecteren op wat hij ziet of denkt zonder verbinding te maken met de ander. Vanwege die afstand is zijn houding aldoor ironisch en vaak geestig, zoals wanneer hij zich afvraagt of er een verband is tussen de geringere concentratie van bomen en van huizen naarmate hij noordelijker reist: “Is dit een regel? Misschien, misschien niet. Wat heb ik er ook mee te maken?” (p.65) Het landschap en de vertelstijl benadrukken zo het onbegrijpelijke en betekenisloze van de wereld waarbij de hoofdpersoon – die de ‘luchtfoto’s’ dus het goddelijk perspectief om het geheel te zien (volgens Wittgenstein het mystieke) ook niet heeft en daarom slechts zijn nabije omgeving kan zien die hem geen oplossing voor het raadsel van het leven of wereld geeft – ook aangeeft dat hij er niets om zou geven dood te gaan of te verdwijnen (p. 243) en dat de wereld wat hem betreft uiteen kan spatten (tot meteorieten) (p. 294), want er is geen betekenis of waarde in de wereld, die slechts toeval en chaos kent, te vinden (in tegenstelling tot wat de religies beweren).

Behalve dat de roman veel geografische kennis ten toon spreidt (Hermans was zelf opgeleid als fysisch geograaf), debiteert de hoofdpersoon sowieso veel opmerkelijke weetjes en denkt hij na over alles wat hij ziet – hij rapporteert niet alleen maar reflecteert er ook over in één moeite door zodat waarnemen en reflecteren in wezen samenvallen – waarbij die scherpzinnigheid zich soms ook in dichterlijke taal uit, bv. “Een vreemd soort levendigheid maakt zich van ons meester, alsof de zon (…) ons onverbiddelijk meesleurt in haar ritme “(p.141). Ook zijn de hoofdpersoon en z’n medewetenschappers verwikkeld in intelligente gesprekjes – de hoofdpersoon ook veel met zichzelf – met interessante filosofische gedachten. Hermans maakt ook gebruik van de ironische stijl om een enkele keer op een metaniveau naar de roman zelf te kijken, zoals met de verhulde metakritiek in de vorm van de moeder van de hoofdpersoon die romans recenseert zonder ze te lezen (een aloude kritiek van veel auteurs is dat hun critici hun werk niet eens echt hebben gelezen hetgeen wellicht ook voor Hermans geldt) en in de opvallende passage waarin direct de lezer wordt aangesproken om de betekenis van een geografische term zelf op te zoeken met de kritiek dat andere romans ten onrechte vaktermen weglaten om het de lezer niet te moeilijk te maken maar daarmee afbreuk doen aan het realisme welk realisme dus een uitdrukkelijk doel van de roman is (p. 186).

Aldoor is het boek aldus een ‘getrouwe’ afbeelding of ‘spiegel’ van de feiten – de hoofdpersoon drukt door middel van de roman zijn ervaringen en gedachten één-op één als een afbeelding uit dat inderdaad een realistisch effect heeft – waarbij tegelijk de reflectie (het beeld) in de plaats komt van het feit: uiteindelijk is zijn geologisch onderzoek in wezen zelfonderzoek, zoals de moderne wetenschap vaak filosofisch wordt begrepen. In de woorden van Heisenberg: hoe ver we ook doordringen in de kosmos, uiteindelijk vinden we alleen onszelf ("Zum erstenmal in der Geschichte der Menschheit steht der Mensch auf dieser Erde nur noch sich selbst gegenüber."(1955)). De kern van het boek is de theorie over de drie fasen van de mensheid (p. 38-39): eerst was de mens nog onbewust van zichzelf en dus zuiver subjectief (er is geen spiegel), toen ontdekte hij het spiegelbeeld waarop hij verliefd wordt (Narcissus: subject en object vallen samen) en ten slotte ziet hij zichzelf door de ogen van de ander (zoals op de foto) waarbij dat objectieve beeld niet overeenkomt met zijn subjectieve zelfbeeld waardoor hij radeloos probeert te worden wie hij wil zijn (de psychologie doet zijn intrede). De hoofdpersoon wil een grote wetenschappelijke ontdekking doen om te slagen waar zijn vader faalde – een meteoriet(inslag) vinden – maar alles gaat fout en hij is vertwijfeld of hij wel opgewassen is tegen zijn taak. Hij is echter een doorzetter en gedurende de reis nemen de fysieke ontberingen maar tegelijk zijn paranoia toe: de wereld lijkt zich tegen hem samen te spannen. Hij kan niet worden wie hij wil zijn, al probeert hij het gegevene (de feiten) te overwinnen in een toenemende spirituele odyssee naar zelfinzicht (waar de eerste keer dat Wittgenstein ter sprake wordt gebracht (p. 197) op ziet: “de manier waarop iemand ertoe gekomen is iets te begrijpen, verdwijnt in datgene wat hij begrepen heeft.”, hetgeen mogelijk verwijst naar TLP: stelling 6.126 maar sowieso resoneert met Wittgensteins anti-psychologisme in de zin dat het geen mentaal proces is dat naar een begrip voert maar hooguit hulpmiddelen die niet meer nodig zijn als je het hebt begrepen zoals ook voor TLP zelf geldt: “Hij moet, om zo te zeggen, de ladder omvergooien na eropgeklommen te zijn.” (stelling 6:54)).

Er is daarom veel aandacht voor dat wetenschap vaak mislukt, ondanks goede voorbereiding, en ook bij succes is er geen aandacht voor het zwoegen in de verkennende fase (wat men moet doen in de hoop iets te ontdekken), maar dat voor de hoofdpersoon noodzakelijk geachte succes om zijn leven zin te kunnen geven blijkt onbereikbaar. In die zin blijkt wetenschap alleen maar religie als het najagen van een illusie te hebben vervangen waarbij de hoofdpersoon in wezen zoekt naar de steen der wijzen als het mystieke voorbij de wetenschappelijke wereld van de feiten hetgeen gedoemd is te mislukken omdat hij zich niet kan verlossen van zijn positie in de wereld waarin geen oplossing te vinden is. De tweede keer dat de roman Wittgenstein noemt (p. 220) gaat daarover: “de feiten horen alle alleen tot de opgave, niet tot de oplossing. Het mystieke is niet hoe de wereld is, maar dat zij is.” (TLP: stelling 6.4321 en 6.44). De zoektocht naar de (meteoriet)steen verwijst overigens ook naar de naam Wittgen-‘stein’ (en het motto van het boek is een citaat van Newton waarin die zegt dat hij slechts bezig is geweest om op het strand een iets mooiere steen te vinden dan de gebruikelijke terwijl de oceaan van waarheid onontdekt voor hem blijft liggen). Na de mislukking van zijn wetenschappelijke expeditie vindt de hoofdpersoon verzoening met zijn lot door de spiegel-metafoor in regressie te doorlopen: de ambitieuze, worstelende derde fase (als zijn fototoestel het nog doet) wordt opgegeven ten gunste van het zelfinzicht van de tweede fase (als hij alleen z’n spiegeltje nog heeft en dat te maken heeft met de dood van Arne die staat voor de dood van zijn vader waardoor hij van zijn psychologische last wordt bevrijd) dat weer samen met het kompas verdwijnt in het opgaan in de harde, betekenisloze natuur (de eerste, ‘primitieve’ fase). De titel wordt in de roman eenmaal vermeld en slaat dan op de dood, maar staat zeker ook – naast de voor de hand liggende omstandigheid van de middernachtzon die het slapen voor de hoofdpersoon onmogelijk en zijn ontberingen nog groter maakt – voor de ontnuchtering (nooit meer dromen dus leven in illusies) die elk realisme moet bieden (ofschoon we er misschien niet aan ontkomen illusies, waaronder wetenschappelijke hypotheses zoals dat er meteorietkraters in Noorwegen zijn, na te jagen zodat alleen in de dood we stoppen met dromen, zoals ook wetenschappelijke theorieën komen en gaan).

De roman verwijst ook naar mythologie waarbij die van Aeneas uit (Homerus’ Ilias en) Vergilius’ De Aeneis de opvallendste is: Aeneus droeg zijn vader op zijn rug en reisde door onder meer de onderwereld om Rome te stichten. De hoofdpersoon van Hermans roman draagt de last (erfenis) van zijn vader figuurlijk op zijn rug en maakt zelf een barre heldenreis door een landschap dat onder meer verwijst naar de rivieren in de onderwereld in de hoop een grote wetenschappelijke ontdekking te doen om zo koning te worden, maar anders dan Aeneus faalt hij. Maar evengoed is hij voor ons een held die het absurde van het bestaan in een ‘sadistisch universum’ moedig heeft getrotseerd en heelhuids is thuisgekomen.

Het boek is dus gelaagd en zit knap in elkaar waarin elk detail zorgvuldig is geplaatst (het is niet zomaar een reisverslag maar elke observatie houdt verband met andere details in het verhaal), hetgeen kenmerkend is voor Hermans en om welke reden Hermans vaak wordt gezien als de grootste zodat in die zin de hoofdpersoon van Nooit Meer Slapen (dat in hoge mate een autobiografie is) toch nog koning werd: waar Mulisch zich graag vergaloppeert in hoogdravende uitweidingen en Reve zich sowieso minder om structuur lijkt te bekommeren, is een werk van Herman vaak met mathematische precisie geschreven hetgeen zeker geldt voor Nooit Meer Slapen dat vanwege zijn klassieke eenheid, helderheid en functionaliteit van elk detail geldt als zijn meest geslaagde klassieke roman en waarschijnlijk zelfs de meest geslaagde klassieke roman uit de Nederlandse geschiedenis is.

avatar

Gast
geplaatst: vandaag om 11:59 uur

avatar

geplaatst: vandaag om 11:59 uur

Let op: In verband met copyright is het op BoekMeter.nl niet toegestaan om de inhoud van externe websites over te nemen, ook niet met bronvermelding. Je mag natuurlijk wel een link naar een externe pagina plaatsen, samen met je eigen beschrijving of eventueel de eerste alinea van de tekst. Je krijgt deze waarschuwing omdat het er op lijkt dat je een lange tekst hebt geplakt in je bericht.

* denotes required fields.

Let op! Je gebruikersnaam is voor iedereen zichtbaar, en kun je later niet meer aanpassen.

* denotes required fields.