Toen ik
Doktor Faustus van Thomas Mann las, bemerkte ik dat ik de diepere laag niet begreep. De puzzelstukjes werden mij gelukkig aangereikt door George Steiner. Hij beschrijft in dit boek hoe taal in de joods-christelijke cultuur als ordenende kracht werd gezien ("In the beginning was the one who is called the Word. The Word was with God and was truly God"). In het verlichtingsideaal wordt rationaliteit vervolgens gekoppeld aan taal: het kunnen motiveren van een conclusie. Reeds in de 19de eeuw werd dat uitgangspunt in twijfel getrokken. Er was wiskunde die niet in taal kon worden uitgedrukt en ook muziek in woorden vangen, bleek lastig. Er werd getracht om het universele ordenende principe een niveau lager te zoeken: in harmonie. Taal, muziek en wiskunde kloppen dan in zo ver ze harmonisch (lees: intern consistent) zijn. De pedagogische aspiraties van een Thomas Mann herbergen hetzelfde harmonische ideaal. Dit ideaal wordt in Doktor Faustus belichaamt door Serenus Zeitblom.
In de 20ste eeuw komt dat harmonie-ideaal onder druk te staan, hetgeen in Doktor Faustus volgt uit het werk van Adrian Leverkühn. Net als een Arnold Schönberg breekt hij met harmonische structuren in zijn muziek. Deze harmonie stond in het begin van de 19de eeuw ook onder druk binnen de wetenschap; aangezien bepaalde disciplines steeds lastiger met elkaar in overeenstemming te brengen waren. Maatschappelijk gezien lijkt taal zijn beschavende kracht te hebben verloren. Met name dit einde van het harmonie-ideaal staat centraal in de essays van dit boek.
Steiner betoogt dat onder meer het fascisme liet zien hoe taal kan worden ingezet om de samenleving te ontregelen, irrationaliteit te verdedigen, gruweldaden te verhullen en onschuldigen verdacht te maken. Kafka is een schrijver die deze destructieve kracht van taal al eerder beschreef. Revolutionaire bewegingen misbruiken dan weer taal om hun einddoel niet te hoeven concretiseren. Het naoorlogse Duitsland maakt gebruik van taal om schuld over te hevelen van het individu naar het collectief (“Wir haben es nicht gewußt). Taal is dus niet zonder meer een ordenende kracht; het is ook een destructieve kracht. Taal heeft daarnaast zijn beperkingen. Zo betoogt Steiner dat het beschrijven van de details van de seksuele daad afdoet aan de erotiek. Dit vanwege het geringe aantal variaties.
Verval van het Woord is een interessante essaybundel met een intrigerende rode draad. Het is prettig dat Steiner helder schrijft. Het helpt ook dat hij werk aanstipt dat ik heb gelezen. De overwegingen zijn nochtans tegenwoordig minder opzienbarend; daar we (zeker vanwege het internet) cynischer zijn geworden over doublespeak (
1). Als historisch document -dat blijkt geeft van naoorlogse ontgoocheling- was dit boek echter de moeite van het lezen waard.