Het is ondoenlijk dit omvangrijke rapport, beter bekend als het ‘Weinreb-rapport’, te bespreken en tot in detail te ontleden. Een website voor boekenliefhebbers en hobbyisten als Boekmeter is m.i. niet helemaal de plaats om een controverse uit het verleden nog eens dunnetjes over te doen. De nadruk op het juridische, strafrechtelijke aspect van de zaak staat in het rapport op de voorgrond.
De nadruk op het juridische en morele oordeel over de man in kwestie was niet specifiek de opdracht die het RIOD van de minister had gekregen. Die opdracht om een rapport uit te brengen betrof:
‘a. de activiteiten van dhr F. Weinreb tijdens de periode van de Duitse bezetting.
b. de vraag of, met vooral in de loop der jaren verkregen gegevens over de organisatie van de jodenvervolging en de algemene situatie in bezet gebied, deze activiteiten in een ander licht komen te staan dan in de uitspraken van het Bijzonder Gerechtshof en de bijzondere Raad van Cassatie het geval was …’.
De minister wilde dus een breder beeld geschetst zien dan alleen de vraag of dhr Weinreb in 1948 al dan niet terecht was veroordeeld voor zijn activiteiten. De onderzoeksvraag was zijn handelen in een historisch perspectief te plaatsen, nl. die van de jodenvervolging in ons land tijdens de bezetting.
Kort samengevat kunnen we constateren dat het rapport met de tweede vraag nauwelijks iets gedaan heeft. In een hoofdstukje van slechts zes pagina's onder de titel ‘De toestand van de joden in Nederland begin 1942’ lijken de onderzoekers genoeg werk gemaakt te hebben van het historische perspectief: de organisatie van de Nazi-bezetters van de jodenvervolging en venietiging wordt hier vrijwel terloops en als bekend verondersteld samengevat. Het vervolg gaat over de daden van dhr. Weinreb, waarbij opvalt hoe snel de opstellers al tot suggestieve oordelen overgaan.
Over de ‘Weinreb-lijst’:
‘Het was een illusie waaraan zij zich op gezag van Weinreb overgaven. Naar Weinrebs motieven voor het opstellen van deze fantasie-lijst kan men slechts gissen. Met de oproepen voor de werkverruimingskampen was er in elk geval geen verband. Tussen augustus en oktober 1945 heeft Weinreb een verhaal omtrent het verhaal van de lijst bedacht …. In zijn boek C en V (Collaboratie en Verzet, de in 1969 uitgeven memoires) heeft Weinreb dit verhaal geheel uitgewerkt. De tientallen bladzijden, die het daar vult, zijn een produkt van ongebreidelde fantasie. Weliswaar hebben de personen, die hij laat optreden, grotendeels echt bestaan en zijn zij zelfs treffend beschreven. De gebeurtenissen, waarover hij vertelt, hebben echter met de waarheid niets gemeen’
Bevinden we ons hier in de slotconclusie van het rapport na zorgvuldige weging van alle onderzoeken? Nee, we zijn nog maar op bladzijde 31 aangeland. De toon is gezet. En die toon wordt in de volgende hoofdstukken opgevoerd. Getuigen die positief spreken over Weinreb zijn misleid, hebben het ware gezicht van deze leugenaar en fantast niet onderkend, zo menen de onderzoekers. Wat in zijn voordeel zou kunnen spreken past in een geraffineerd plan van de misleider Weinreb.
De conclusies op bladzijde 1613 luiden:
‘ Ten eerste : Weinrebs lijst sinds 1945 gedane mededelingen over het ontstaan van zijn eerste emigratielijst zijn onjuist gebleken. Die lijst was géén middel om aan tewerkstelling in Noordoost Nederland te ontkomen, maar een op niets berustende fantasie van Weinreb. Hij is met die lijst dan ook niet begonnen om lotgenoten bij te staan maar om eigen behoeften aan macht, geld en sexuele lust te bevredigen.
Ten tweede: Dat Weinreb sinds zijn arrestatie van 11 september 1942 als V-Mann diensten aan de Sicherheitspolizei heeft bewezen, die hij in de zomer van 1943 door een reeks gevallen van celspionage en in de daaropvolgende herfst en winter door verraad van een belangrijk aantal onderduikers heeft voortgezet, staat thans vast.
Ten derde: Dat Weinrebs verdedigingsgeschriften, in het bijzonder zijn mémoires Collaboratie en Verzet 1940-1945, zijn gebleken nagenoeg uitsluitend te bestaan uit fantasieën, leugens en verdachtmakingen.
Van deze drie punten achten wij het eerste het belangrijkste. De Bijzondere Raad van Cassatie is in zijn arrest over Weinreb uitgegaan van diens aanvankelijke goede bedoelingen. Dat die goede bedoelingen werkelijk aanwezig waren, kan na ons onderzoek niet meer worden aangenomen en dit is het meest principiële verschil tussen onze visie en die van de Bijzondere Raad.
De talloze nieuwe feiten, resp. nieuwe bewijsmiddelen voor destijds reeds geheel of gedeeltelijk bekende feiten, die ons onderzoek heeft opgeleverd zijn daarnaast - hoe belangrijk zij ook zijn - van secundaire betekenis.’
Ik weet niet of de term ‘tunnelvisie’ in de jaren zeventig al bekend was, maar dat er sprake is van een versmalde blik vanuit een inktzwart mensbeeld, lijkt me wel opvallen aan dit rapport. Weinreb kon ook werkelijk niets goed doen. Dat hij zijn leven wist te redden en van zijn gezin (hij verloor zijn zoontje David in Westerbork) pleit des te meer voor zijn schuld, zo wil het rapport ons meegeven. De context: het radeloze zoeken naar een uitweg om aan vernietiging te ontkomen, dat de joodse bevolking met de rug tegen de muur stond en ook onwettige middelen zocht het leven te redden, is geen onderwerp van onderzoek geweest.
Ik neem het de onderzoekers overigens niet kwalijk. Ze waren niet in staat een zelfstandige visie te ontwikkelen. Bovendien stond het gezag en het prestige van het RIOD onder leiding van L. de Jong op het spel.
Een historicus zoeken we vergeefs in het gezelschap. Laat staan een psycholoog of een kenner van de joodse gemeenschap. Mr. D. Giltay Veth was advocaat en procureur, A.J van der Leeuw studeerde scheikunde maar maakte zijn studie niet af. Het speurwerk werd uitbesteed aan de gepensioneerde inspecteur-rijksrechercheur J. van den Brink. Het verbaast niet dat vele interviews met betrokkenen het karakter dragen van een politieverhoor.
Ik zal me verder onthouden van een inhoudelijk oordeel. De twee lijvige delen zijn nog wel goed verkrijgbaar in antiquariaat en kringloopwinkel. Meestal in zeer nette staat, want het lezen ervan is bepaald geen pretje.
Zie ook:
Collaboratie en Verzet 1940-45: Een Poging tot Ontmythologisering - F. Weinreb (1972) - BoekMeter.nl