Het wachten is nog steeds op de biografie van Renate Rubinstein door historicus en literatuurcriticus Hans Goedkoop, waarvoor hij al in 1994 de opdracht kreeg van het Fonds voor Bijzondere Journalistiek. Wel verschenen er twee kortere werkjes van zijn hand over de columniste: Vaderskind (2022) over haar kinderjaren en de rol van haar Joodse vader daarin. Eerder, in 2015, verscheen al een miniportret waarin haar leven werd geschetst op haar vijftigste verjaardag, in 1979. Rubinstein was toen op het hoogtepunt van haar roem. Maar van een echte biografie mogen we toch wat meer verwachten. En Goedkoop beschikt over enorm veel archiefmateriaal. Dus wie weet. (Wanneer deze in aantocht is, laat het ons even weten!)
Deze bundel verscheen in de herfst van 1990 en zou haar laatste zijn. Op 23 november van dat jaar overleed ze. De stukken, meest columns die eerder verschenen in Vrij Nederland, zijn uit de jaren 1987 tot midden 1990. Het was een geweldig spannende en roerige tijd. Met toenemende verbazing en verrukking schrijft Renate over de omwenteling in Oost-Europa, de val van de muur, de verwarring bij ‘links’ en de al te opzichtige omslag van ‘fellow-travellers’, die decennialang de communistische heilstaten hadden bezocht en opgehemeld.
Terecht, in mijn ogen, hekelde ze dan ook de blinde hypocrisie van de anti-kernwapen demonstraties, georganiseerd door het IKV en Pax Christi , en het afdoen van terechte kritiek op het sovjetsysteem als ‘vijandsdenken’. Nee, in Renate Rubinstein vond links in die dagen geen ideale partijgenoot.
Rubinstein schroomt niet man en paard te noemen. Met name Cuba-ganger Harry Mulisch. Met idealisme en heilstaten had ze helemaal niets en waar dit werd gepredikt kon ze verontwaardigd reageren. Een door belastingen beteugeld kapitalisme was altijd nog beter dan een falend en corrupt socialisme. Rubinstein was sceptisch tegenover wereldverbeteraars, maar liet zich toch ook verleiden mee te doen aan de gemeenteraadsverkiezingen, als lijstduwer voor Groen Amsterdam, de kleine milieupartij van Roel van Duyn. Rubinstein was al vroeg onder de indruk gekomen van de naderende milieucatastrofe, al bleef ze realistisch:
'De Groenen zijn ook levellers, maar ze willen dat iedereen arm wordt in plaats van rijk, wat ook inderdaad de enige oplossing is. Maar iedereen wil meer verdienen en niet minder. De mens wil racen. En dan heb je nog de derde wereld en de regenwouden. En met de wereldregering is het net als met Esperanto, hoe of dat ook gepropageerd wordt het kom er niet van. Met het milieu komt het nooit meer goed.' (Zomer, 99)
Haar columns over politiek, heersende gedachten en joodse zaken zijn scherp, prikkelend en voor mijn generatie nog heel herkenbaar. Wat minder kan ik met de stukken over kunst en letteren. Rubinstein was zeer onafhankelijk in denken en doen. Dat bleef ze, ook toen ze door haar ziekte MS in een rolstoel belandde en niet langer dan een paar uurtjes per dag kon werken. Ze was goed bevriend met Annie Schmidt en, zoals bekend, zeer goed met Simon Carmiggelt. Over F. Weinreb, voor wie ze zich jarenlang had ingezet, zegt ze: ‘Ik had bewondering voor zijn gedrag in de oorlog en ik had veel medelijden met hem vanwege de ongehoorde aanvallen die W.F. Hermans op hem deed. Maar een gevoel van vriendschap had ik eigenlijk niet voor hem.’ (Weinreb,163).
Het is jammer dat vooral dit dossier zo zwaar op haar naam is gaan drukken. Renate stond ergens voor en zette zich volledig in, vooral als er onrecht in het spel was. Dat gold ook voor haar positie ten opzichte van de staat Israël en de rechten van de Palestijnen. En hoeveel vrienden ze daardoor verloor, was voor haar geen punt van overweging. Grillig en onredelijk, werd ze genoemd. Ik zou zeggen: compromisloos, maar geen heilige. Dat wist ze zelf maar al te goed.
En nu wachten we nog op die alles onthullende biografie van Hans Goedkoop. En ik begrijp best dat het een heel lastige klus moet zijn.