In dit boek biedt de conservatieve filosoof Roger Scruton een krachtig en erudiet pleidooi voor de verdediging van de westerse cultuur tegen zowel externe als interne bedreigingen. Met zijn kenmerkende elegantie en intellectuele scherpte legt hij de vinger op de wonde van een beschaving die van binnenuit wordt ondermijnd door haar eigen instellingen: media, universiteiten en een groot deel van de culturele elite.
Scruton vat cultuur op zoals Friedrich Schiller dat deed: als een reservoir van emotionele kennis, een rijk van intrinsieke waarden dat ons helpt de betekenis van het leven als doel op zichzelf te begrijpen. Cultuur is geen luxe, maar een voorwaarde voor het voortbestaan van de samenleving. Juist dat idee van intrinsieke waarde is in onze tijd doodverklaard. Wat overblijft is een gevecht op twee fronten: tegen het nihilisme van de markt én tegen het nihilisme van de universiteiten.
Als lezer met een conservatieve achtergrond, gevormd door een vader die me al vroeg het cultuurrelativistische narratief leerde doorprikken, voelde Scrutons boek als een intellectueel onderbouwde bevestiging van mijn eigen intuïties. Aan de eettafel werd er bij ons al zo vroeg als ik mij kan herinneren dagelijks gediscussieerd over politiek, geschiedenis, cultuur, economie en filosofie. Die gesprekken hebben me immuun gemaakt voor het postmoderne wokevirus dat aan de universiteit welig tierde. Een ideologische boosterprik vlak voor ik op kot ging, gevolgd door aansluiting bij een conservatieve studentenclub, zorgde ervoor dat ik ook de nieuwste varianten van marxisme kon weerstaan. Daar leerde ik Scruton en andere conservatieve denkers kennen, die dezelfde intuïtieve weerzin op een veel erudietere en welsprekender wijze verwoordden dan mijn door cynisme getroffen vader.
Scruton beschouwt schoonheid in de kunst als objectief meetbaar en illustreert dat aan de hand van muziek en architectuur. Hij rekent genadeloos af met de ziekelijke popcultuur en ook moderne architecten worden terecht afgedaan als de charlatans die ze zijn. Ze komen voort uit een ideologie van mannen die er blijkbaar op gebrand zijn geen glimp van schoonheid meer toe te laten in onze steden en de bewoners volledig prijs te geven aan vervreemding en wanhoop. Wie hedendaagse bouwwerken eens grondig analyseert ziet esthetische rampen en misdaden tegen de mensheid.
In de kunst moeten we volgens Scruton vandaag kiezen tussen kitsch en avant-garde, waarbij avant-garde vaak niet meer is dan de zoveelste herhaling van Duchamps urinoir. Scruton betreurt hoe kunst verworden is tot provocatie en vulgariteit: musea met werken gemaakt van lichaamsvloeistoffen in plaats van verf, toneelvoorstellingen waarin acteurs als naakte wilden door elkaar schreeuwen, en muziek die niet meer verheft maar verziekt. Kunstenaars, ooit de grootste intellectuelen van hun tijd, zijn ambassadeurs geworden van een doodzieke beschaving.
Naast kunstenaars, muzikanten en architecten krijgen ook enkele intellectuelen een veeg uit de pan. Scruton hekelt niet alleen Foucault, maar ook Edward Said, wiens Orientalisme hij reduceert tot “kleingeestige kwezelarij”. Zijn kritiek komt op het volgende neer: Terwijl Arabieren, geïnspireerd door salafisme en wahabisme, een culturele zelfmoord pleegden door antieke tempels af te breken, boeken te verbranden en ketters te onthoofden, herbergden westerse wetenschappers de culturele rijkdommen van andere beschavingen in musea. Westerlingen vertaalden de Vertellingen van Duizend-en-één-nacht, ontcijferden hiërogliefen en spijkerschrift. Said heeft alles te danken aan het Westen. Juist omdat de westerse kunst als enige ter wereld actief probeert andere culturen te omvatten en te begrijpen, kan ze gegijzeld worden door Saids afkeuring. Zijn vermaledijde oriëntalisme is dus veeleer een eerbewijs.
Scruton toont overtuigend aan dat normen en waarden geen louter product zijn van machtsrelaties, zoals de postmodernen beweren. Het kan immers net zo goed omgekeerd zijn. Die normen en waarden zijn veeleer de oorzaak van maatschappelijke orde dan het gevolg ervan.
Een centraal thema is de rol van opvoeding en onderwijs in het doorgeven van culturele waarden. Scruton gaat fel tekeer tegen kindgericht in plaats van kennisgericht onderwijs en betreurt hoe informatietechnologie beelden boven gedachten heeft gesteld. Ik denk dat hij ook hier gelijk heeft. Geschiedenisonderwijs dient vooral om onze voorvaderen belachelijk te maken als patriarchale, racistische bandieten. Straatnamen en standbeelden van de cultuurbouwers van het Westen verdwijnen, terwijl figuren als George Floyd — een verslaafde gangster met een gewelddadig verleden — tot nieuwe heiligen worden verheven. Academici en auteurs zoals Tom Lanoye schoten in kramp bij het idee van een Vlaamse canon en etaleren hun zelfhaat onder het etiket van “wereldburgerschap”.
Ondanks deze sombere diagnose eindigt Scruton hoopvol. Er is nog niets definitief verloren. Ouders en onderwijzers moeten een bewuste inspanning leveren om schoonheid, waarheid en gemeenschapszin door te geven. Een algemene mobilisatie is dan wel broodnodig.
Waarom cultuur belangrijk is is een messcherp, eloquent en noodzakelijk boek. Scrutons verdediging van intrinsieke waarden, schoonheid en westerse traditie biedt een intellectueel wapen tegen de zelfdestructie van onze beschaving. Voor wie thuis al een conservatieve basis meekreeg, voelt het als thuiskomen , maar dan verheven en systematisch uitgewerkt. Het is echter een must-read voor iedereen die de westerse cultuur niet wil laten wegkwijnen, maar wil doorgeven als fundament voor toekomstige generaties.