Al jaren heb ik het boek in mijn boekenkast staan en steeds als ik eraan wilde beginnen, was er wel weer een ander boek dat voor ging. Na het pleidooi van Matthijs van Nieuwkerk bij De Meesterwerken van Paul Witteman moest ik wel snel beginnen aan het boek. En na een paar bladzijden dacht ik al dat het jammer was dat ik dat niet eerder had gedaan.
Wat ten eerste opvalt is dat je door de manier van schrijven meteen in het hoofd van Kees zit. Het gebruik van ‘ie’, ‘oh’ of ‘zo’ versterkt dat. Of de bravoure van Kees als hij alles natuurlijk alweer allang doorheeft. Hij wel. Je droomt vanaf het begin met Kees mee en wat wil je graag dat zijn dromen uitkomen. Het deed me als geen ander denken aan de onbezorgde tijd als schooljongen. Nostalgisch, maar niet sentimenteel. De harde werkelijkheid dreunt ook door en wat er dan met Kees gebeurd op enig moment is bijna hartverscheurend. Als zijn vader op sterven ligt, kan hij zich geen voorstelling meer maken van zijn vader die wakker is, die rondloopt. Zijn fantasie laat hem voor het eerst in de steek. Een moeilijke periode volgt en ook al lijkt de onbezorgde tijd voorbij, er is hoop voor Kees. En wat zijn de laatste bladzijden geweldig!
Het verhaal geeft ook een mooi tijdsbeeld. Het verhaal is klein, het speelt zich af rond Kees en zijn familie, maar niet minder meeslepend. Eén van de mooiste Nederlandstalige boeken die ik gelezen heb.