Geschiedschrijving begint niet met een oordeel over de personen die deel zijn van die geschiedenis, maar met een onderzoek naar de feiten, binnen de context van tijd, plaats en omstandigheden. Een reconstructie van de gebeurtenissen van waaruit te begrijpen is - of niet te begrijpen, maar ook dát moet benoemd worden - hoe deze geschiedenis heeft plaatsgevonden. Geschiedenis heeft een open einde, het boek gaat nooit definitief dicht. Ieder oordeel moet plaats maken voor een ander oordeel, zodra de bevonden feiten daar om vragen. Ieder verhaal heeft meerdere kanten.
De vraag in dit geval naar de mate van schuld van Asscher en Cohen in hun rol als voorzitters van door de Duitse bezetter ingestelde Joodse Raad is in de allereerste plaats een intern Joodse aangelegenheid. De niet-joodse Nederlanders hebben in meerderheid in de oorlogsjaren zich niet erg verdienstelijk gemaakt in het opkomen voor hun Joodse medeburgers. Uitgezonderd de bewoners van de Jordaan die pal achter hun Joodse buurtgenoten stonden en een vaak onzichtbare minderheid die onderdak en vluchtmogelijkheden heeft geboden, vaak heldhaftig en principieel, soms uit opportunisme.
Desondanks moeten we vaststellen dat van de ongeveer 120.000 Joodse Nederlanders en 20.000 Joodse vluchtelingen die in Nederland verbleven aan het begin van de oorlog, ongeveer 104.000 niet zijn teruggekeerd uit de concentratie- en vernietigingskampen. De administratieve en logistieke medewerking van Nederlandse overheidsdienaren en burgers om Joden aan de Duitse bezetter in handen te spelen, was schokkend groot.
Het hoofdstuk over ‘De Joodse Raad' is ook na de indrukwekkende TV-serie uit 2024 nog niet afgesloten, zoals het dat zeker ook nog niet was toen dit boek van Telegraaf-jounalist Hans Knoop in 1983 uitkwam.
Knoop was nog wel in de gelegenheid rechtstreekse ooggetuigen uit die periode te spreken, amper 40 jaar na de oorlog. Zijn betrokkenheid, ook persoonlijk, was groot. Lastig was het een uitgever te vinden voor dit gevoelige onderwerp. Tevergeefs klopte Knoops aan bij productiebedrijven om dit verhaal te verfilmen tot de redactie van de Joodse Omroep, onder de vleugels van de EO, tenslotte enkele jaren geleden het initiatief nam tot de inmiddels veelgeprezen dramaserie.
Het boek uit 1983 kwam opnieuw uit, hier en daar bijgewerkt met actuele gegevens, maar voor het grootste deel onveranderd. In het voorwoord schrijft de auteur dat hij nog steeds achter zijn boek staat, al is hij inmiddels wat milder geworden. Over de actualiteit van zijn boek is hij heel duidelijk: antisemitisme waart onder de vlag van antizionisme nog steeds rond en is geen verslagen vijand. Hij maakt geen geheim van zijn positie ten opzichte van Israël.
“ Conclusie: een geheel nieuw boek van mijn hand zou niet tot een fundamenteel anders oordeel hebben geleid, maar mogelijk wel tot meer begrip en compassie. Vier decennia geleden had ik voor Asscher en Cohen vooral afkeuring en ook wel medelijden. Ik zou die volgorde nu willen omkeren. En hoe forser mijn afkeuring des te dieper het medelijden voor het tweemanschap!” (uit de inleiding)
Vooral de inleidende hoofdstukken over het vooroorlogse klimaat, de periode van het interbellum, zijn erg boeiend. Antisemitisme was geen uitvinding van de nationaalsocialisten. Maar dat het ook in het als liberaal en tolerant bekend staande Nederland, waar Joden zich eeuwenlang betrekkelijk veilig hadden gewaand, zo veel slachtoffers zou maken, dat heeft vrijwel niemand zien aankomen. Dat de sluwe bezetter Joden in de val lokte door hen een stukje autonomie te geven en de waan hiermee invloed uit te oefenen op hun lot, is de zeer cynische misrekening geweest. Dat er door overleg een beroep gedaan kon worden op redelijkheid van en samenwerking met de bezettende macht, was een verraderlijke illusie.
Meebuigen of nee zeggen. Er stond veel op het spel.
Het meebuigen van de Joodse Raad bleek laakbaar en vond weinig weerklank onder de eigen Joodse achterban. Meest kwalijk is misschien wel het feit dat de leden van Joodsche Raad, zelf afkomstig uit de maatschappelijke bovenlaag, ervoor kozen de arme meerderheid van de Joodse stadsbewoners, de sloebers en sinaasappelventers, op te offeren en op transport te laten gaan in ruil voor vrijstellingen voor vrienden en familie. De schrijver, zelf afkomstig uit een minder welvarend Joods gezin, ondergedoken in de oorlog, legt hier natuurlijk terecht, de vinger op de zere plek.
Een goed boek, met helder besef van de bredere historische verbanden geschreven. Minder psychologiserend en dramatiserend dan de TV-serie, en meer verslagleggend waarbij gevoelens van sympathie en antipathie niet direct de objectiviteit vertroebelen. Het laat de lezer ruimte hier zelf wat van te vinden. Abraham Asscher en David Cohen, zo totaal verschillende persoonlijkheden, toch tot elkaar veroordeeld, ze worden hier goed geportretteerd, in hun sterke kanten en in hun zwakheden. De tragiek is hier groter geweest dan de schuld. Maar de schuld wordt duidelijk benoemd. Nogmaals, dat kan alleen iemand uit de Joodse gemeenschap zelf beoordelen.
Het wachten is tenslotte op nieuwe inzichten. Dit boek is, zover ik kan beoordelen, voorlopig nog niet verouderd. Hans Knoop, toch vaak een journalist met afwijkende stijl en opmerkelijke standpunten, heeft hier zijn onderzoek, met als oogmerk waarheidsvinding, voor een groot publiek toegankelijk gemaakt en daarbij sensatiezucht vermeden.