In dit essay, van vlak na de Tweede Wereldoorlog, poogt George Orwell (pseudoniem voor Eric Arthur Blair) tot definities te komen van ‘nationalisme’, het nastreven van idealen en belangen van uitsluitend de eigen groep. En daarom geeft de schrijver aan dat het woord niet helemaal de lading dekt.
"Met ‘nationalisme' bedoel ik ten eerste de gewoonte om aan te nemen dat mensen worden geclassificeerd alsof het insecten zijn en dat hele blokken van miljoenen of tientallen miljoenen mensen gerust ‘goed’ of ‘slecht’ genoemd kunnen worden. Maar ten tweede - en dit is veel belangrijker - bedoel ik de gewoonte om zichzelf te identificeren met één enkele natie of een andere groep voorbij goed en kwaad te plaatsen en geen andere plicht te kennen dan het behartigen van haar belangen.”
Om duidelijk te maken dat principes van menselijkheid vaak alleen worden toegepast op de eigen groep en tot blindheid en negeren kan leiden voor andere groepen, geeft Orwell dit voorbeeld:
“ Het liberale dagblad News Chronicle publiceerde, bij wijze van voorbeeld van schokkende wreedheid, foto’s van Russen die waren opgehangen door Duitsers, en een jaar of twee later publiceerde het vol goedkeuring bijna precies dezelfde foto’s maar dan van Duitsers die waren opgehangen door de Russen.”
Beschaving is dikwijls een flinterdun laagje, bestemd voor het beschermen van de eigen belangen. Nationalisme in de verschillende vormen leidt tot onverschilligheid voor de werkelijkheid. De ‘nationalist’ ziet de dingen niet omdat hij die niet wil zien.
En dan komt de essayist tot het opsommen van vormen van ‘overgedragen nationalisme’:
Communisme (wat de auteur niet verder uitwerkt)
Politiek katholicisme (met name G.K. Chesterton krijgt ervan langs)
Kleurgevoel (racisme)
Klassegevoel (standen)
Pacifisme (meestal uit obscuur religieus motief)
En het ‘negatief nationalisme’:
Anglofobie
Antisemitisme
Trotskisme (communisten tegen Stalin)
“Als je een afkeer en angst hebt voor Rusland, als je jaloers bent op de rijkdom en macht van Amerika, als je joden veracht, als je je minderwaardig voelt ten opzichte van de Britse heersende klasse, dan kom je niet zomaar van die gevoelens af door er alleen maar over na te denken. Maar je kunt ten minste erkennen dat je ze hebt, en voorkomen dat ze je denkvermogen verpesten.”
Dit laatste citaat is uiteraard nog steeds van betekenis. Toch valt het geschrift een beetje tegen. De inleiding van ‘duider’ Bas Heijne in de Nederlandse vertaling voegt wel een aantal bladzijden, maar inhoudelijk te weinig toe om het tot een krachtig signaal voor deze tijd te maken. En misschien moeten we het daarom ook beter plaatsen in de context van de verwarring van de jaren vlak na de oorlog. Het zoeken naar nieuwe ankerpunten van beschaving. Alles was in beweging. Orwell zag het belang van onpartijdige humaniteit voor de samenleving. En zag het begin van de naoorlogse 'ontzuiling', maar ook de conservatieve krachten die de vooroorlogse situatie wilden bestendigen. De betekenis van een 'glazen bol' voor onze tijd, maak ik echter niet helemaal mee. Een 'profeet' spreekt allereerst voor de eigen tijd en situatie.