Qu'est-ce Que la Littérature? - Jean-Paul Sartre (1947)
Alternatieve titel: Situations, II: Qu'est-ce Que la Littérature?
Frans
Ideeënliteratuur / Kunst en Cultuur
330 pagina's
Eerste druk: Gallimard,
Parijs (Frankrijk)
Het essay ‘Qu'est-ce Que la Littérature’ verscheen in eerste instantie in 1947 in drie delen in ‘Les Temps Modernes’; het eigen politieke, literaire en filosofische tijdschrift van Sartre en zijn partner Simone de Beauvoir. Vanaf 1948 is het in boekvorm uitgebracht. Het essay valt in vier delen uiteen, waarin Sartre zich eerst drie vragen stelt en vervolgens naar de voor zijn tijd meest recente posities van schrijvers kijkt. De eerste vraag ‘Qu’Est-Ce Qu'Écrire?’ (‘Wat Is Schrijven?’) wordt behandelt vanuit de aanvangsgedachte wat schrijven niet is: in tegenstelling tot bij schilderijen en muziek maken, waarin de kunstenaar zaken presenteert, de toeschouwer laat waarnemen wat die wil, heeft de schrijver een leidende rol in zijn werk. Bij zijn verdere uitwerking van dit hoofdstuk brengt Sartre het voor hem fundamentele verschil tussen proza en poëzie tot uitdrukking. De tweede vraag ‘Pourquoi Écrire?’ (‘Waarom Schrijven?’) behandelt de artistieke creatie: één van de belangrijkste redenen van een kunstenaar voor een dergelijke creatie is de behoefte zich essentieel te voelen in relatie tot de wereld. In het geval van een geschreven werk, is er sprake van een creatie door de kunstenaar, maar kan deze zijn eigen werk niet objectief waarnemen omdat dat werk nu eenmaal voldoet aan de eigen subjectieve regels. De synthese van perceptie en creatie wordt bereikt door de activiteit van de lezer; die daarmee de verdiende voltooing van het literaire werk veroorzaakt. Sartre gaat daarbij verder in op de bijzondere relatie tussen schrijver en lezer. De derde vraag ‘Pour Qui Écrit-On?’ (‘Voor Wie Schrijft Men?’) behandelt die bijzondere relatie vanuit historisch perspectief. In de Middeleeuwen was er slechts een klein publiek: alleen geestelijken konden lezen en schrijven. Zij schreven voor elkaar. Het doel was te behouden, niet te veranderen. Vanaf de zeventiende eeuw is er weliswaar een zekere secularisatie van de schrijver, maar het doel blijft vorm te geven aan wat al bekend is, niet om te ontdekken. Vanaf de achttiende eeuw eist de opkomende bourgoisie haar eigen waarden op en zet zij zich af tegen de adel. Op een gegeven moment vereist de bourgeosie echter op haar beurt dat de literatuur haar ideologie bevestigt. Die literatuur wil echter abstract zijn, wil niet terug naar een serviele positie en gaat in de negentiende eeuw op zoek naar een eigen autonomie. In het slotdeel ‘Situation de l'Écrivain en 1947’ (‘Situatie van de Schrijver in 1947’) van zijn essay, stapt Sartre af van de min of meer theoretische situatie uit de eerste drie delen van zijn betoog om concreet terug te kijken op de drie generaties schrijvers van de eigen twintigste eeuw en een onderscheid aan te brengen tussen die drie groepen. Daarbij spelen de invloeden van de beide wereldoorlogen een duidelijke rol, plus het na de Tweede Wereldoorlog overblijvende conflict tussen kapitalisme en communisme.
