Als een Onweder bij Zomerdag: De Briefwisseling tussen Louis Paul Boon en Willem Elsschot - Louis Paul Boon en Willem Elsschot (1989)
Nederlands
Verhalenbundel
Waargebeurd / Biografie
112 pagina's
Eerste druk: Querido,
Amsterdam (Nederland)
Correspondentie tussen de Vlaamse auteurs, samengesteld door Jos Muyres en Vic van de Reijt, met een voorwoord van Jos Muyres en Bert Vanheste. ‘Beste Pol, Gij zijt formidabel, met uw potlood en uwen inkt. Dat is het laatste. Al schreeft gij met stront...’ Die formidabele zin is van Willem Elsschot, die hem in januari 1945 op papier zette om de dertigjarige (en dertig jaar jongere) Louis Paul Boon per ommegaand moed in te spreken. Als antwoord op Boons neerslachtige brief schrijft Elsschot meer opbeurends, in al even kapitale bewoordingen: ‘Wees met u zelf niet ontevreden en dank de Heer die u gemaakt heeft zooals gij zijt: een ongelikte beer, voorzien van vier stevige klauwen.’ Boon, die zijn bezorgdheid had geuit hoe Elsschot zijn evacuatie naar Brussel mocht hebben doorstaan, wordt met opgeruimde achteloosheid gerustgesteld: ‘Maak u in mij niet ongerust. Toen mijn ruiten de derde maal uitvlogen heb ik met mijn oude bedgenoot mijn biezen gepakt en mijn intrek genomen bij mijn oudste dochter in Brussel, gevolgd door die eene zoon die ik nog steeds aan mijn been heb. Laat de Duitschers zich nu maar verder oefenen. Hun munitie zal wel eens opraken.’ Boon schreef Elsschot zijn nood over het als zware last gevoelde schrijverschap; de infame reacties op zijn roman over Vincent van Gogh 'Abel Gholaerts' hadden hem op het hart getrapt: ‘We mogen schrijven wat we willen, we mogen ons hart uit onze borst halen en zeggen: neem, hier is het. Wat zal men zeggen? Er ontbreekt een n aan. En als ik mij dan afvraag waarom ik nog wil verder schrijven dan moet ik mijzelf antwoorden: omdat gij het graag doet, omdat gij het niet missen kunt, omdat ik iets moet hebben om mij aan vast te houden of dat ik anders omver val.’
