menu
zoeken in:
avatar van Raspoetin
De Belgische radio Klara heeft (alweer) een podcast serie (remake van 2003) over een Nederlandstalige schrijver op hun website gezet. https://images.vrt.be/orig/2021/12/17/da475a09-5f59-11ec-b07d-02b7b76bf47f.jpg
Leven en lijden van Godfried Bomans | Luister Podcasts | Klara

avatar van Wandelaar


Tijdens zijn verblijf op Schiermonnikoog, in november 1970, liet Godfried Bomans
zich interviewen door de vlaming Jan van Rompaey.

avatar van Wandelaar
In 2021 verscheen een bundel stukken van Godfried Bomans, verzameld door Joost Prinsen, onder de titel ‘In Alle Ernst’.
De derde druk kreeg ik in december voor mijn verjaardag en was daar blij mee.
Omdat het een boek is met eerder verschenen bijdragen, kan het waarschijnlijk niet aan deze site toegevoegd worden, evenals de bundel ‘Genieten in een Gekkenhuis’ (Elsevier 2011). De eerste uitgave is nu eenmaal heilig.

Bomans blijft vooral in de herinnering voortleven als de geestige schrijver en praatjesmaker die volle zalen trok en aan het lachen kon brengen met zijn gekscherende stijl. Helemaal bont wist hij het te maken met zijn grappen over Sinterklaas. Daarbij stond hij dicht bij een conferencier als Toon Hermans. Een soort erkenning die hij ook wel doelbewust zocht. En misschien een pose waarachter hij zich veilig kon verschuilen. Maar, daarnaast of daarachter, was Godfried Bomans vooral een mens die de diepte zocht, de betekenis wilde doorgronden van gebeurtenissen en personen in de geschiedenis. Hij overpeinsde en wilde tot het hart doordringen. Hij vertelde over de oorlogsjaren en de teleurstelling bij de bevrijding, maar ook heel intiem over het afscheid van zijn vader. Verder was hij een literair criticus, met een grote belangstelling voor de negentiende-eeuwse literatuur: Paaltjens en Dickens.

De titel van deze bundel zegt al dat het om een verzameling ernstige stukken gaat. En de uitgave is fraai, met redelijk grote letter gedrukt, want de meeste Bomans-lezers zijn de jongsten niet meer. Joost Prinsen had een zeer goede hand van kiezen. Zijn sympathieke inleiding besloot hij met:

" Is mijn keuze een heel persoonlijke? Dat denk ik niet. Binnen het kader van mijn opdracht heb ik die stukken opgenomen die ik met het meeste plezier gelezen heb. De vreugde van het lezen. En op dat gebied zal mijn smaak niet veel verschillen van de uwe. Als u deze bundel had samengesteld, waren er grosso modo dezelfde stukken in opgenomen, denk ik. Ik heb alleen uw huiswerk gedaan, daar komt het eigenlijk op neer." (17,18)

Dank voor uw huiswerk, heer Prinsen.

avatar van Wandelaar
Aan het verzoek van het genootschap dat ter mijner nagedachtenis is opgericht, om een eerder nog niet aan de openbaarheid prijsgegeven rede te publiceren, wil ik gaarne gehoor geven, met dien verstande, dat men mij daarna weer voor enkele decennia met rust wil laten. Wenst men mij te gedenken, dan lijkt me dat gepast, binnen de huiselijke sfeer van hun periodieke bijeenkomsten, doch, het moet een keer gezegd worden: het is genoeg. Zand erover.
G.B.
Haarlem, wat doet gij met uw dichters?

Met de poëzie is het in ons land slecht gesteld. Men kan wel zeggen: droevig.
Kijk eens, de periode waarin het dichterschap een grote vlucht nam, was die van de negentiende eeuw. Door de alom oprukkende industrialisatie en mechanisatie van het leven, ook hier te lande en in Haarlem in het bijzonder, woelde daar een diep verlangen omhoog naar romantiek en innige omhelzing van de diepste menselijke gevoelens. Het waren de gouden tijden van Beets, Bilderdijk, Potgieter en laat ik ook aan Gezelle in deze opsomming niet voorbijgaan. Menig porseleinen tegel met verzen van deze reuzen sierde de wanden van de eenvoudige arbeiderswoningen. Hoe anders is het heden ten dage gesteld!

Kortgeleden bracht ik een bezoek aan een goede vrind van mij. Zijn naam - u zult pas onlangs van hem gehoord hebben - is Anton Kruiskerk. Hij stuurde me enkele proeven van dichterij toe, met de vrijpostige regel daaronder: ‘Godfried, kerel, wat zeg jij er van?’
Direct pakte ik de fiets en reed vanuit mijn bescheiden optrekje in Bloemendaal naar de Parklaan in onze mooie provinciehoofdstad om hem aan een 'kruis'verhoor te onderwerpen.

Met de brief in de hand belde ik aan. Het dienstmeisje, verlegen maar niet onknap, deed open en begeleidde me naar het duistere vertrek aan de achterzijde van het pand waar ik mijn vriend Anton ontwaarde, ineengezakt in een oude fauteuil, naast een bureau dat ongetwijfeld in koloniale tijden meer glans had vertoond. Hier zat onze jonge dichter, zuchtend, welhaast kreunend, de ogen neergeslagen, met ziekelijk bleke teint murmurerend.

‘Man, wat is er met jou aan de hand?’
Ik had hem nog niet begroet of deze verbaasde uitroep rolde reeds over mijn lippen.
‘Vertel eens op, wat scheelt eraan?’
‘Godfried, mijn dichtbundels, ze doen het niet.’
Ik wilde nog vragen: maar Anton wát doen ze dan niet?, maar ik slikte deze woorden in, stopte bedachtzaam mijn pijp en luisterde toe hoe de man zijn wanhoopsverhaal deed.

‘Ik ben nu vijf jaar bezig en heb vier bundels gepubliceerd en waarachtig, daar heb ik mijn hele ziel en zaligheid ingestopt’
Ik knikte.
‘De eerste, die door Geert van Oorschot als zeer veelbelovend werd verwelkomd, heette: Kwatrijnen in appelwijn, voorwaar, mijn geliefde eerste bundel. Ik verkocht er negenentwintig stuks. Daarna zette ik me aan mijn volgende werk, geïnspireerd door mijn geregelde bezoeken aan etablissement Brinkmann, jou niet onbekend.’
Ik knikte opnieuw.
‘Van dit boekje, Verlaten pleinen in de winter, gingen er slechts dertien in kopershanden over. Die derde en vierde, ach, dat weet je, ik maakte schulden bij de drukker en van Geert heb ik nooit meer wat gehoord. Al mijn schrijven bleef onbeantwoord. Wellicht, en dat doet me zeer, zal ik ook mijn lieve dienstmeid eerdaags de dienst moeten opzeggen. Wat moet ik doen, Godfried!?'

Ik stopte nogmaals mijn pijp en na zorgvuldige ontsteking, liet ik bedachtzaam enkele rookpluimen opstijgen tot tegen het hoge negentiende-eeuwse plafond. Ik begon na ampele overweging aan mijn resolute antwoord.
‘Kijk eens, Anton. Je bent een sukkel. Het moet gezegd. Doorgaan op deze weg is zoveel als zelfmoord. Maak het je zelf niet te moeilijk. Ik ken je als een geestige vent. En kijk nu eens hoe je erbij zit. Als een zoutzak!'
Mijn snedige opening deed mijn vriend opschrikken.
‘Voorts: doe wat goed in de markt ligt. Dat doe ik toch ook. Laat de mensen lachen en vul intussen de zakken’.
Ik moest even om mezelf gniffelen. Spreekwoordelijk haalde ik mijn broekzak binnenstebuiten, waar een paar dubbeltjes uit rolden over het vale parket. Anton pakte ze als door een schrik bevangen direct van de vloer.
‘Ga eens zitten en schrijf. Eerst de titel, eens kijken, die luidt, eh: Ober, er drijft een haar in mijn soep.
Een kort moment keek Anton me niet begrijpend aan. Hij was mijn vriend, maar toch ook wel een beetje sul.
‘Wat zie je dan vóór je Anton? Hilarisch toch? Een grijzend echtpaar zit in een duur restaurant en de ober zet de soep voor. Daarin drijft, tot ontsteltenis van de pensionaris, een haar. Het brengt hem tot de volgende regel:

Wat is dat voor een troep
Ik zit hier heel tevree
Gezellig aan ‘t diner
Maar wat gebeurt er tot m'n smart
De schrik slaat me om ‘t hart
Er drijft een haar hier in de soep!’


Tevreden ging ik weer achterover zitten, trok nog eens aan mijn pijp en keek de beduusde Anton enkele seconden indringend doch verwachtingsvol aan.
‘Denk je dat ik daar wel wat mee kan, Godfried? Misschien heb je gelijk. Ik moet de mensen geven wat ze willen. Dat ik daar nou nooit eerder aan gedacht heb.’
Na een bemoedigend knikje stapte ik weer kwiek op mijn rijwiel, bezocht enkele vriendinnen rondom de Waalse kerk en toog goedmoeds huiswaarts.

Wie schetst mijn verbazing toen ik twee maanden later mijn ochtendblad opensloeg en een recensie ontwaarde van de nieuwe bundel van mijn beste vriend Anton.
De recensent sprak slechts in superlatieven. De tranen waren hem over de wangen gerold van het lachen toen hij dit oer-komische gedicht tot zich nam. Meesterlijk en hoe in lijn met de zeden en behoeften van deze tijd! Ik belde mijn vriend en bracht hem mijn gelukwensen over.

‘En, hoeveel heb je er nu al verkocht?’
Anton struikelde over zijn woorden en ik moest hem dringend verzoeken de telefoonhoorn wat verder van zich af te houden, wilde hij me niet beschreeuwen.
‘De eerste druk is al finaal uitverkocht !’ bracht hij juichend uit.
‘Dan zal ik even moeten wachten op de tweede druk’ zei ik, na hem nogmaals, ook namens mijn vrouw, gefeliciteerd te hebben.
'Nee Godfried, aan jou heb ik gedacht. Ik heb een eerste druk voor jou speciaal achtergehouden.’
Dankbaar liet ik de hoorn terugvallen op het zwart bakelieten toestel.

‘Ach’, mijmerde ik, ‘de gouden tijden zijn terug. Ik bel morgen de jongens bij Elsevier met het dringende verzoek opnieuw een bundeltje te maken van mijn flauwste stukjes en die dan tegen Sinterklaastijd uit te brengen onder de titel: Bomans kan niet meer stuk!’
Wat een succes!

Snel belde ik een taxi en liet me naar de NCRV-studio te Hilversum brengen. Er zou een vraaggesprek plaatsvinden en Jan van Hillo had me uitgenodigd in het panel plaats te nemen, samen met Loes Haasdijk en professor Diepenhorst. Het onderwerp van het TV- gesprek zou zijn: De oppervlakkigheid van het hedendaagse culturele leven.


(© Wandelaar)

avatar

Gast
geplaatst: vandaag om 07:22 uur

avatar

geplaatst: vandaag om 07:22 uur

Let op: In verband met copyright is het op BoekMeter.nl niet toegestaan om de inhoud van externe websites over te nemen, ook niet met bronvermelding. Je mag natuurlijk wel een link naar een externe pagina plaatsen, samen met je eigen beschrijving of eventueel de eerste alinea van de tekst. Je krijgt deze waarschuwing omdat het er op lijkt dat je een lange tekst hebt geplakt in je bericht.

* denotes required fields.

Let op! Je gebruikersnaam is voor iedereen zichtbaar, en kun je later niet meer aanpassen.

* denotes required fields.